Het oversteken van de Golf van Biskaje is net zoiets als op vakantie gaan naar het verre zuiden, maar eerst nog een eindeloos eind moeten rijden om er te komen. Die autoreis maak je niet omdat je dat nou zo leuk vindt, maar zonder die reis geen vakantie en ergens geeft het een extra dimensie aan de hele trip. Het is zwaar, lang en soms saai, maar de aankomst in daar waar je heen wilt wordt er alleen maar mooier en bijzonderder door.

Ok, de vergelijking gaat niet helemaal op. Want met de boot doe je er toch wel wat langer over en het is ook wel enigszins spannend, zo in je eentje op een grote oceaan niet wetend wat je te wachten staat en hoe het werkt…

Ok, ok, ik geef toe dat “enigszins spannend” een kleine understatement is. Want als ik er op terug kijk ben ik de afgelopen maanden vooral zo’n grote bonk stress geweest door het vooruitzicht het stuk water tussen Bretagne in Frankrijk en de Noord-West kust van Spanje te moeten oversteken. Het is een oversteek die berucht is onder alle zeilers. Er kunnen zich hele nare stormen ontwikkelen met meestal aanlandige wind. Doordat een stukje van de kust vandaan de oceaanbodem van vijf kilometer (!) overgaat in slechts een paar honderd meter diep, kan een storm de zee doen opstuwen tot levensgevaarlijke proporties waar geen regelmaat in te vinden is. En het leuke is: Veruit de meeste van die stormen komen voor in september en oktober. Dussss…

Ondanks dat ik op zag tegen de lange trip naar het zuiden was ik vastbesloten om er wat moois van te maken. Genieten van alleen zijn, mijn bootje, boeken lezen, beter leren zeilen, misschien dolfijnen spotten. Kom maar op met die eenzaamheid en verlatenheid!

Tja. Je best doen betekent helaas niet altijd erin slagen.  Men zegt wel eens dat je in je eentje op reis jezelf tegen kunt komen. Nou, ik heb d’r gevonden hoor, mijn eigen ik. En ze bleek eigenlijk lang niet altijd zo leuk om mee samen te zijn… Wat een pieperd ben ik!  En nogal apathisch, dat stoort mij nog het meest. Waar andere zeilers naast de bezigheden die nodig zijn om de boot gaande te houden ook nog wat tijd en energie hebben om door te gaan met het leven van alledag voor zover dat mogelijk is, kan ik mij alleen maar bezighouden met het zeilen en een paar hoognodige klusjes die echt noodzakelijk zijn om de overkant te kunnen bereiken. En me bezighouden met piepen dus.

Over het feit dat het ’s nachts zo koud is. En dat het overal zout water lekt zodat mijn beddengoed, kussens en matrassen, kledingkast en kaartentafel doorweekt zijn. En o ja, het drupt ook op de aansluitingen en bedrading achter de navigatieapparatuur. Gepiep over dat er op een onvindbare plaats zeewater de boot in gutst de bilge in, waardoor die steeds samen met de reeds in de bilgeput aanwezig laag diesel en smeerolie overstroomt. Zo over mijn vloer heen waar doordat de boot zo belachelijk stampend scheef hangt mijn op de grond gevallen slaapzak, zeiltenue, kussen en laatste schone spijkerbroek nu drijven en glibberen. De overige broeken waren al doorweekt van liters al dan niet smerig (?) water met onverklaarbare afkomst dat met grote regelmaat over de toiletvloer stroomt. Waar ik dan niet al te vrolijk doorheen mag poedelen terwijl ik probeer zonder over te geven van de zeeziekte en dieselstank enigszins fatsoenlijk naar het toilet te gaan. Maar wat maakt het uit dat alles binnen nat wordt door lekkage; alles wat ik aan heb naar buiten wordt namelijk toch wel zeik en zeik nat van het overkomende buiswater. En dat water neem ik aan mijn druipende zeilkleding gewoon weer mee naar binnen.

Iemand waarschuwde me vlak voor vertrek al dat mijn boot een zeer “natte zeiler” is. Ik snap nu de uitdrukking. Bij een lekker windje en een aandewindse koers hangt mijn boot in no time met het gangboord (zijdek) in het water, en gutst het water gewoon over de kuiprand naar binnen over de kuipbank en mijn schoot heen mocht ik daar zitten. De rest van het water komt als een slagregen over de buiskap heen gesprayed. Af en toe moet ik kruipend naar voren aan de lage kant van de boot, bijvoorbeeld om het losgeslagen kotterstag dat door de lucht en om alles heen zwiept te vangen en te borgen. Daar ga ik dan, tot aan mijn heupen en oksels in het water. Vervolgens kom ik erachter dat de borgpin die het anker op zijn plek houdt voor op de punt verdwenen is. En ga ik met reservebout en moer al sleutelend aan het uiterste puntje van mijn boot kopje onder door een golf heen…

Hoor je me al piepen daar op de grote oceaan?

Omdat het enorm druk is met vrachtvaart is het niet mogelijk veel te slapen. Vaak kan het door de situatie niet, of soms lukt het even snel vijf minuutjes. Als er een tijdje geen verkeer in de buurt is doe ik slaapjes van maximaal 15 minuten, maar meestal ben ik voor de dubbele wekkers die ik zet al wakker om weer naar buiten te gaan voor een horizonscan. Op zich kan ik daar – geheel tegen mijn eigen verwachtingen in – aardig mee om gaan. Maar midden in de nacht als er overal om mij heen lichtbundels van schepen rondtouren en ik dus voorlopig geen slaap kan pakken is het soms wel een heel gevecht om wakker en alert te blijven. Die tijden kom ik door door te prakkiseren over mijzelf, mijn keuzes en het leven. Door de vermoeidheid hebben die inwendige dialogen soms verdacht veel weg van hallucineren:

>>> Shelley, waarom in vredesnaam moet jij toch altijd van jezelf die dingen doen waar je eigenlijk niet zo goed in bent of geen verstand van hebt? Je kon op school zo goed leren, maar dan toch kies je de rest van je leven voor dingen die daar weinig mee te maken hebben en waar je de ballen verstand van hebt. Neem dit zeilen nou, wat weet je nou van zeilen, boten, gereedschap, en al die andere dingen die er mee samen gaan? En dan zitten we nu hier, een beetje schepen ontwijken midden op een oceaan.

<<< Tja, ach… Denk je niet dat ik het allemaal doe omdat ik dan uiteindelijk, na veel strijd en afzien, trots op mijzelf kan zijn? Of zoiets?

>>> Dat zou je toch ook kunnen zijn door datgene waar je goed in bent goed te doen?

<<< Euhh…
Hey, kijk, daar rijdt een vrachtwagen!

>>> Nee doos, dat is een containerschip. En hij komt recht op je af!

<<< Oh ja. Oeh.


En gelukkig blijk ik dan nog niet volledig krankjorem te zijn en krijg ik mijzelf iedere keer weer in een staat van volle verstand en alertheid waarmee ik netjes om alle schepen heen weet te manoeuvreren.

Hoe dan ook; het is niet makkelijk. Er zijn momenten dat ik mij serieus afvraag of ik dit wel leuk vind. Dat is de allereerste keer dat ik twijfel aan mijn keuze van twee jaar geleden. Het op reis zijn met boot vind ik leuk, maar vind ik dit wel leuk in mijn eentje? Het is zo ontzettend lastig om alle keuzes alleen te maken, om op niemand terug te kunnen vallen, om de eindeloze waslijst van dingen die stuk gaan te fixen of te vervangen. Het houdt niet op. Ergens voelt het in goede conditie houden van de boot aan als een enorme verantwoordelijkheid die me steeds net iets boven de pet groeit. En er gaan nog zo ontzettend veel oversteken en zeildagen komen. Als die allemaal zo zwaar zijn weet ik niet of ik dat wel trek. Had ik niet gewoon op zoek moeten gaan naar iemand met dezelfde wens en samen gaan, zou ik dat niet veel liever doen?

Gelukkig heb ik heel veel steun aan Simon. De hele trip zeilen we samen, nooit verder dan een mijl of wat bij elkaar vandaan. Kanaal 72 wordt onze babbelbox. Via onze DSC-marifoons piepen we elkaar op (dat werkt fantastisch Geert-Jan!!) om vervolgens te kletsen over het weerbericht, de te varen koers, wakker blijven, de geheimen van het bakken van lekker brood op zee en de inhoud van het ontbijt of de nachthap.

North Wind en Colombe op Biskaje

Voor het vertrek uit Frankrijk hebben we afgesproken ons best te doen om bij elkaar te blijven. Dat gaat niet vanzelf, want verschillende boten hebben verschillende zeileigenschappen. De één vaart dus harder dan de ander, of kan bij tegenwind een scherpere koers naar de wind varen. Dat wisten we, maar we spraken af dat de “zwakste schakel” bepalend zou zijn in alle situaties. Degene die sneller/hoger/probleemloos kon varen zou wachten op de langzame boot of die met problemen. Nu hadden we allebei al wel het vermoeden dat ik meestal die zwakke schakel zou zijn. Niet gek, met een boot die twee meter korter is en een schipper met nauwelijks zeilervaring die dus wellicht niet het maximale uit de boot zou weten te halen. Eenmaal onderweg blijkt dan ook dat ik inderdaad in vrijwel alle situaties die zwakke schakel ben. Of kan ik het beter rotte schakel noemen? Zo voelt het in ieder geval wel. Aan de wind krijg ik er met heel veel moeite 4,5 knopen uit geperst, terwijl bij Simon het log zonder er veel aan te doen zo naar de 7 kruipt.  De Colombe is dan ook meestal een klein wit streepje in de verte, die eens in de zoveel tijd in no time groter wordt, een rondje om me heen slaat, wat foto’s onder zeil knipt en er dan weer vandoor speert. Door het enorme verschil in snelheid en hoogte bij opkruizen twijfel ik regelmatig aan mijn stuurmanscapaciteiten en raak ik behoorlijk gefrustreerd over het feit dat ik Simon zo op hou.

Maar er zijn ook momenten dat het bij mij beter gaat dan bij Simon. Zo krijg ik mijn boot voor de wind beter in bedwang en valt er voor Simon nergens anders heen te gaan dan daarheen waar de Colombe wil. En in Frankrijk bij het vertrek moet ik een hele tijd op Simon wachten. De uittocht uit l’Aber Wrac’h blijkt namelijk nóg spannender dan het binnenvaren. Door een lijn die vastzat onder de boot, gevolgd door een zwem- en duikfestijn onder de boot in water van 14 graden, varen we pas uit tegen het donker. De stroom staat samen met de wind tegen als een bezetene. Er valt bijna niet tegenin te motoren. Wonderlijk genoeg kom ik met mijn 10 pK’tjes na een fikse vechtpartij door alle brekers, bizar hoge golven en de rotsblokken heen, maar blijft Simon halverwege steken. Te ver om nog om te keren maar niet ver genoeg om veilig water te vinden zit hij muurvast in water en wind die hem tegen enorme rotspartijen aan proberen te beuken. Terwijl ik buiten op open zee keihard tegen de stroom in aan het zeilen ben maar nauwelijks een knoop vooruit kom en belachelijk woeste, hoge golven aan het tackelen ben zie ik een klein lampje ongeveer iedere 30 seconde veranderen van rood naar groen naar rood naar….; Simon die vechtend voor zijn boot motorzeilend aan het opkruizen is door de smalle rivieringang. Na een eindeloze tijd is hij er eindelijk doorheen, keer ik de boot om en spurten we er met een bloedgang vandoor. Na het ronden van het meest westelijke puntje Frankrijk, het eiland Ouessant, varen we de oceaan op. Met wind uit het noordwesten is het ruim bezeild en tikken we mijlen weg. Enig rekenwerk vertelt mij dat ik binnen drie dagen in Spanje kan zitten.

Zal dat even tegen vallen…

Na een nacht en ochtend doorstomen valt de wind weer eens weg. Midden in een veelgebruikte vaarroute van enorme schepen. We dobberen het een tijdje aan, maar tegen de avond besluiten we de motor te starten en te maken dat we wegkomen. Naar het westen, de oceaan op, op zoek naar rust. Na een paar uur motoren vinden we die. Ik zet de motor af en na nog een rondje goed om me heen kijken ga ik naar binnen. Fijn, “thuis” is er zelfs midden op de oceaan. De zee is dusdanig kalm dat de boot slechts een beetje heen en weer schommelt, in sommige ankerbaaien is het ruiger. Lampjes aan, de bovenste lagen zeilkleding af en dan zo de langsbank (= onder zeil mijn bed) in voor een paar uurtjes kattenslaapjes van steeds kwartiertjes. Eigenlijk best een meevaller dat de wind weg is, want het feit dat ik overdag overal te pas en te onpas in slaap viel om vervolgens wakker te worden van mijn hoofd dat ergens op neerstortte zei genoeg over mijn energieniveau. Buiten hoor ik een onverklaarbaar, stomend geluid. Ach, buiten hoor je wel vaker omgevingsgeluiden en ik negeer het. Totdat ik 2 seconden later met een schok besef dat ik honderden kilometers van de bewoonde wereld vandaan ben en dus helemaal geen geluiden zou mogen horen die niet passen bij de golven, de wind en het geklapper van mijn boot op de rollende deining. 0,2 seconde later sta ik met bonkend hart in de kuip. Bang dat er een schip op het punt staat me te overvaren. Mijn ogen moeten nog wennen aan het donker en zien helemaal niets. Gelukkig ook geen verblindende lichten van een of andere tanker die hoog over me heen torent en op het punt staat mij en mijn bootje te verzwelgen. Als ik begin te wennen aan het donker zie ik echter wel allemaal grote, duistere schaduwen in het water om mijn heen, en begint het rare geluid opnieuw. Overal vandaan dit keer, allemaal vlakbij de boot. Zou dat een zeezoogdier zijn dat ademhaalt? Wauw! Of wacht even, die schaduwen zijn wel erg groot en bevinden zich tot op nog geen meter van mijn kuip vandaan, die zich doordat mijn boot zo klein en laag is überhaupt al vlak bij het water bevindt. De geluiden die ik hoor zijn hard, heel erg hard. Zijn dit wel dolfijnen? Zouden het walvissen kunnen zijn? Of haaien? Simon had er gisteren één rond de boot… Ik word er een beetje bang van en schuil in de kajuitingang. Met mijn zaklamp schijn ik beverig wat over het water, bang om de dieren te laten schrikken. De zwakke bundel van mijn zaklamp laat een aantal enorme rugvinnen zien. Ik weet nog steeds niet waar ik mee te maken heb en neig steeds meer naar walvissen. Met de nieuwsfoto van een paar maanden terug van een walvis die bovenop een zeiljacht springt en deze verwoest nog in mijn hoofd begint mijn hart steeds harder te kloppen en ik twijfel of ik de motor moet aanzetten om ze weg te jagen. Of zouden ze daar juist agressief van worden? Ik begin maar wat tegen ze te praten. Toch niemand anders dan zij en ikzelf die het kunnen horen. Ik krijg spontaan antwoord. In de vorm van ultrasone piepjes en klikgeluidjes die zo uit de serie Flipper zouden kunnen komen. Het zijn dolfijnen! En wat zijn het er veel… Nu dat ik weet waar ik mee te maken heb schijn ik met mijn schijnwerper rond de boot en zie overal dolfijnen zwemmen. Van zo dichtbij zijn ze echt enorm qua omvang. Het lijkt erop dat ik precies ben gaan liggen in het gebied waar zij een beetje lucht aan het happen zijn en wat aan het grazen, want her en der springen kleine visjes op. Blijkbaar vinden ze mijn boot wel bijzonder, want ze gaan er met z’n allen rondjes omheen en onderdoor zwemmen.

Na nog wat verhaaltjes tegen ze aan te hebben gekletst (waarom voelt een mens die behoefte?!) krijg ik alleen nog maar een hoop geraas door de luchtpijpen en een hele smerige gemalen vislucht retour, dus ik besluit het er maar bij te laten en de dieren niet te storen tijdens de maaltijd. Ik duik m’n bed in.

Tegen de ochtend wakkert de wind weer aan. Uit het zuidwesten; precies daar vandaan waar ik heen wil. Een eindeloze, natte strijd tegen de wind en golven volgt, waarin mijn twijfels over waar ik mee bezig ben hoogtij vieren. Pas na diverse dagen “lijden” lukt het me om de negatieve gevoelens aan de kant te zetten, en kan niets me nog veel schelen. Ik doe wat ik moet doen, negeer alles wat het laatste beetje comfort om zeep helpt en kijk uit naar Spanje. Af en toe geniet ik zelfs een beetje van het zeilen. En hoe dan ook besef ik me te alle tijden hoe bijzonder het is dat ik voor mijzelf de mogelijkheid heb weten te creëren om dit te doen.

Zelfstudie zeil meteorologie

Iedere dag probeer ik weerkaartjes binnen te halen via de SSB-ontvanger. Over de kortegolf worden op bepaalde frequenties piepjes uit gezonden die een softwareprogramma bij goede ontvangst om kan zetten in zwart/wit kaartjes met ingetekende isobaren. Vorige week wist ik nog vrijwel niets over windrichting, hoge druk, lage druk en fronten, maar ik heb mijzelf op een spoedcursus gezet en begin daadwerkelijk conclusies te kunnen trekken uit kaartjes zoals hieronder.

Weerkaartje SSB Biskaje

Na dagenlang tegen zuid- en zuidwesten wind in te hebben gebokst is bovenstaand kaartje zeer hoopgevend. Het betekent dat er een koudefront over zal trekken van west naar oost, waarna de wind zal draaien naar noordwest. Dus wat doen Simon en ik? Op naar het westen! Op naar het front dat er aan komt. In zo’n front kan een hoop narigheid zitten in de vorm van buien en onweer, maar wij willen eindelijk daarheen kunnen zeilen waar we heen moeten, dus het kan ons weinig schelen. Tegen de avond varen we een dikke stapel wolken tegemoet, en varen ’s nachts zo een regenbui in. Maar, het duurt niet lang of de wind draait in twee minuten tijd van zuid naar noordwest! De rest van de nacht blijven we heel spannend samen met een grote tanker in buien met zeer beroerd zicht varen, maar we gaan wel daarheen waar we heen willen; Spanje!

Is dat daar Spanje, onder die wolk?
Zouden die twee heuveltjes onder die wolk waar de zon opkomt al Spanje kunnen zijn??

Daarna wordt alles beter. Tenminste, in mijn ogen. Nog steeds gaat niets vlekkeloos en draait de wind uiteindelijk weer terug naar zuidwest, maar zo dicht bij mijn reisdoel kan ik alles hebben. Ik slaag er zelfs in om een half uur lang in bikini in de kuip te liggen. Ik moet vooral niet overeind komen in de wind en de kippenvel op mijn armen negeren, maar hey, ik ben in Spaans water!

Spanje in zicht!
Spanje in zicht!!!

Na ruim zes dagen vechten op Biskaje landen we donderdagavond 30 september in Laxe, Spanje. De boot is een zout hol, ik kan niet in mijn bed in de punt slapen omdat die doorweekt is, ik heb geen schone, droge kleren meer over, ik heb al anderhalve week geen douche gezien en de vellen hangen aan mijn zere handen van al het getrek aan zoute lijnen. Maar ’t kan met niets schelen. Ik ben daar waar ik heen wou en ben supertrots dat ik er ben.

Laxe, eerste Spaanse ankerbaai
Regenachtig Laxe, Spanje. Ja, dat kleine witte puntje is de North Wind.


PS: In zijn nachtelijke uren heeft Simon Sinterklaas op zijn pakjesboot voorbij zien stomen. Als hij net zo lang doet over Spanje - Nederland als wij over Nederland - Spanje dan kunnen jullie hem denk ik zo medio/eind november wel bij jullie verwachten :-)