Tijdens mijn verblijf in Baiona en de Islas Cies, ontving ik onderstaande email van een toekomstige vertrekker.

Hoi Shelley,

Las je relaas over de storm van vorige week. Ik heb je nog gewaarschuwd, (ik heb je bracknell kaartjes gestuurd, had je die wel ontvangen?) en gelijk gekregen.
Nu aan de slag met ducktape? Niet erg verstandig. Is er nou werkelijk niemand die zegt dat je bij je eindstation bent aangekomen? Opzich hele prestatie.
Ik geef je een laatste advies: ga met het schip van Simon. You ain't seen nothing yet. Het is pure zelfmoord (zowel mentaal als fysiek) om met jouw schip verder te gaan.
Wees wijs en good luck.

“M.”
(zijn volledige naam hou ik maar achterwege)

Eventjes was ik behoorlijk nijdig. Eerst een tijdje “gezellig” heen en weer mailen, en dan opeens met zo’n beledigende email om de hoek komen! Niet veel later besloot ik er maar mijn schouders over op te halen en M. veel sterkte te wensen met het zeewaterdicht maken en houden van zijn eigen boot. Als ik dit soort berichten niet wil ontvangen moet ik mijn website maar niet openstellen voor een ieder die er een mening over wil vormen. Wel gaf het me – gek genoeg meer nog dan de grote hoeveelheid stimulerende, positieve berichten die ik via de website krijg - een enorme boost om er vooral voor te zorgen dat hij niet gelijk krijgt. No way dat Baiona mijn eindstation wordt, ik ben hier nog lang niet mee klaar!

Portugal

Een paar weken later, tijdens de voorbereidingen in Peniche om de oversteek naar de Canarische Eilanden aan te vangen, ben ik die email allang weer vergeten. En ook als ik besluit om vanwege de veranderende voorspellingen toch niet uit te varen maak ik me niet ongerust; er komt heus wel een volgend moment dat we kunnen oversteken. Het is erg jammer en onhandig dat we pas zo laat op de Canarische Eilanden aan zullen komen, maar die achterstand trekken we wel weer recht.

Peniche is leuk, maar er is weinig te verkrijgen op nautisch gebied. Al lange tijd kookt Simon op Campinggaz, en ik doe al weken met een restantje propaangas waarbij ik bij ieder kopje thee denk dat het de laatste zal zijn. Sinds het vertrek uit Engeland hebben we nergens een plek gevonden waar we onze propaanflessen kunnen inruilen of vullen. We besluiten Peniche dus achter ons te laten, en op zoek te gaan naar gas. Volgens diverse websites moet het zuidelijker gelegen Sines daarover beschikken. En aangezien zich daar een olieraffinaderij en gasfabriek bevindt moet het daar toch wel goed komen?

Met een boot vol proviand voor een oversteek die misschien wel twee weken had kunnen duren varen we de kleine honderd mijl naar Sines; Dat moet een smakelijk tochtje worden! Maar een dikke vette bui onder Lissabon gooit roet in mijn eetlust; ik heb mijn handen vol aan het handelen van mijn boot in tijdelijk ruim 40 knopen wind (windkracht 8/9). Voor het eerst krijg ik alleen op eigen boot met zware omstandigheden te maken. En dat gaat eigenlijk hartstikke goed. Met alleen een driedubbel gereefd grootzeil surf ik met een lekker tempo windje mee over de golven richting Sines. Als dit zwaar weer is kan ik er wel meer van hebben…

Sines
De wind dooft een tijdje later langzaam uit, en is net genoeg om Sines binnen te dobberen. Al de hele ochtend mik ik op een rij lelijke schoorstenen, en als ik dichterbij kom zie ik ook grote olietanks en kranen op de wal staan. Getver, moeten we daar tussen gaan liggen? We varen de enorme havenkom in, en steken over naar een soort binnenhaven waar zich tevens de marina bevindt. Nadat we tussen de pieren van de binnenhaven door zijn gevaren vormen deze achter ons een visuele barrière tegen het industriële panorama. Van het uitzicht vóór mij ben ik blij verrast. Een oud kasteel en daaromheen mooie witte huizen en appartementen torenen op een steile helling uit boven een prachtige baai met rondlopend zandstrand.

Vlakbij het strand en een mooie rotspartij gaat het anker overboord, en even later pomp ik de bijboot op om een kijkje te kunnen gaan nemen in het dorp. In een hoekje op het strand zie ik zowaar een palmboom in het zand groeien. Mijn eerste strandpalmboom! Enthousiast ga ik steeds harder roeien. Ik moet en zal mijn dinghy vastmaken aan z’n stam; volgens Simon de reden dat palmbomen scheef groeien. Ik laat de bijboot het strand op spoelen, stap overboord in enkelhoog, winters zeewater en trek de bijboot richting palmboom. Deze palmboom blijkt recht te zijn, wat niet verwonderlijk is gezien het feit dat hij heel ver van de zee vandaan groeit en ik - en waarschijnlijk ook mijn medezeilers - niet de puf hebben die boot zo’n eind het strand op te sjorren. Ach, er komen er vast nog heel veel meer.

Ankerbaai Sines

Na een flinke klim de helling op komen we aan in een schattig oud dorpje met mozaiekstraatjes, het oude kasteel en een standbeeld van “Dom” Vasco da Gama die statig over zee uitkijkt. Het lijkt wel alsof deze brute baardmans die in de 16e eeuw naar India zeilde en onderweg dood en verderf zaaide nog steeds het hele dorp bestiert; De lokale voetbalclub, zeker drie bakkers en zelfs de dierenwinkel zijn naar hem vernoemd. En als je de naam van de autorijschool mag geloven krijgen de jongeren hier rijles van “Dom” himself....

Zoals ondertussen in onze vaste routine van het arriveren in een nieuwe plaats ligt stappen we de Tourism Office binnen. Alle kustplaatsjes lijken er één te hebben. Op die manier besparen we ons met een gesprekje van vijf minuten minimaal een halve dag speurwerk naar een grote supermarkt, bezienswaardigheden en een gasvulstation. De man die ons te woord staat is een enorme vent, met een dikke bos krullen, een “surfdude-kettinkje” om z’n nek en een relaxte, sympathieke blik. Op mijn vraag of er hier nog iets leuks te doen is klinkt een diepe, bulderende lach. “You could play tennis, we have a court”. OK... We nemen het in overweging. Na z’n aanwijzingen om bij de supermarkt en gasshop te komen besluit hij z’n verhaal met “Once you have walked around here for more than an hour you’ll know all about the place there is to know, probably more than I do. Enjoy”. We zijn benieuwd. Omdat de gasshop nog gesloten zou zijn voor de (twee uur durende) lunch ploffen we neer tussen allemaal hippe twintigers en dertigers aan de koffie in de zon op “het” terras onder het kasteel. Niet veel later komt  onze touristenvriend langs wandelen, duikt de kroeg in en komt weer tevoorschijn met een biertje. Wat een relaxte sfeer hier... En nog steeds zijn we geen enkele onvriendelijke Portugees tegengekomen. Leuke mensen, en het lijkt wel of ze allemaal net als de Nederlanders het belang inzien van het machtig zijn van de Engelse taal.

De dame van de gasshop brengt daar helaas verandering in. Met een chagrijnig hoofd dat weigert Engels te praten schudt ze dat vullen van onze flessen niet mogelijk is. Protesteren en zeggen dat diverse zeilerswebsites het tegenovergestelde claimen heeft weinig zin, dus we besluiten vriendelijk gedag te zeggen en het tot de Canarische Eilanden maar bij Campinggaz te houden.Toch kunnen we het niet helpen dat we af en toe moeite hebben met berusten, aangezien we waar we ook lopen steeds bijna voor de sokken worden gereden door auto’s met laadbakken vol flessen propaangas in alle soorten en maten, op weg van of naar de gasfabriek. Grrr...

’s Avonds tijdens het eten wil Port Control marifooncontact. We worden vriendelijk maar zeer duidelijk bevolen ons anker te lichten en danwel de zee op te varen of een plaats te nemen in de marina. Er is zuidenwind op komst, en daar is deze haven niet op berekend. Aangezien de zware zuiderwind pas voor over twee dagen wordt voorspeld protesteren we nog even over het verkassen in het donker, maar er is geen ontkomen aan; vanavond slapen we op een aan een steiger afgemeerde boot. Wat pijn doet aan de portemonnee.

Inderdaad begint twee dagen later de zuiderwind te blazen. Zal ik de naam van mijn boot maar wijzigen in South Wind? Ik wil wind mee, wind uit het noorden, maar ironisch genoeg willen de weergoden me dat bijna nooit geven. Wat als ik het nou omdraai...? Niet alleen betekent zuiderwind dat we door tegenwind voorlopig dus niet uitvaren, maar ook blijkt de lieflijke baai van Sines bij deze windrichting een wolf in schaapskleren. Een grote swell komt de baai binnen, en slaat eenmaal voorbij de pieren van de binnenhaven gewoon de hoek om, om regelrecht de marina in te denderen. De drijvende steigers worden een kermisattractie, en alle schepen trekken nijdig aan piepende, krakende en uiteindelijk brekende landvasten. Het anker van de boot van Simon ramt en vervormt een stalen stellage van de waterslang op de steiger en een van zijn landvasten ontneemt een bolder op de steiger bijna van z’n bouten. Mijn dikste, nieuwe stootwil - een kadootje van Marjolijn nog - kan al het stoten en schuren niet meer behappen en blaast z’n laatste adem uit. Lek. De preekstoel raakt beschadigt. Ok dan, zucht, kom er maar bij hoor, op die kluslijst...

Bij aankomst vertelde de grappige man die ons incheckte in de marina dat hij uit ervaring wist dat we zeker niet binnen anderhalve week weg zouden zijn vanwege het weer. En dat het veel zeilers uberhaupt niet lukt om uit het slaperige maar relaxte Sines weg te komen. Toch besluiten wij na een week in de marina de middelmatige maar rustige weersvoorspellingen voor een oversteek naar de Canarische Eilanden aan te gaan. We halen onze laatste stukjes gebroken landvast die nog bruikbaar waren binnen, en kiezen rond middernacht ’t ruime sop.

Een zware zee tegemoet
De tocht begint met een lekker windje en een lekker tempo. Ik ben moe van een hele dag en avond vertrekklaarmaken van de boot. Gelukkig hebben de lokale vissers besloten niet met z’n allen uit te varen, en ons een vrije doorgang en wat tijd om te slapen te geven. Zo komen we ’s ochtends vroeg in de buurt van de shipping lane, waar alle vrachtschepen van noord naar zuid of van zuid naar noord varen. Voor het eerst deze reis heb ik de AIS aan de praat en kan ik deze uitlezen op de plotter. Wat een zaligheid. Opeens zijn die grote jongens met onbekende koers en snelheid niet zo eng meer, nu dat ik digitaal kan zien of en wanneer onze koersen gaan kruizen.

Met het naderen en binnenvaren van de shippinglane naderen we ook een grijs wolkendek en wakkert de wind steeds meer aan. En wordt harder. En nog harder. De golven stapelen zich op en worden hoger en hoger. En steil! Mijn zeilen maak ik steeds wat kleiner, en nog steeds speert de boot ervandoor. Het lukt niet meer om aan de wind te varen, dus ik kies voor halve wind en vaar daarmee steeds westelijker, de oceaan op. De golven beginnen behoorlijk freaky  te worden, en slaan regelmatig over de boot en in de kuip. Alles onder water. Op deze manier is het toch wat gemakkelijker testen of mijn kuiplozers werken dan mijn methode in de haven, waarbij ik zo snel mogelijk putsen vol zeewater de kuip in gooide en keek hoe snel de kuip leegliep... Toch prefereer ik de havenmethode. Dit is niet leuk, en het wordt steeds erger. De boot blijkt ondanks het fixen van het grootste Biskaje-lek nog steeds zo lek als een mandje. Overal begint water te stromen. En precies nu besluit mijn bilgepomp, die het water onder de vloer weg moet pompen, het te begeven. Ik heb een noodpompje mee, maar heb nog nergens de juiste maat slang kunnen vinden om er op aan te sluiten. Waardeloos dus. Ik sla mezelf voor m’n kop dat ik niet harder heb gezocht. Maar daar heb ik nu niets aan. Dan maar met een hoosvat, een spons en een emmer aan de slag. Het water komt onder helling al boven de vloerplank te staan. En omdat er wat diesel in de bilge stond drijft dit bovenaan en maakt alles vies en glibberig. Probeer maar eens een emmer smerig water over een spekgladde vloer in een stijgerende boot naar buiten te gooien zonder te morsen. Kansloos. Alles komt onder te zitten. Zo ook mijn laptop, I-pod en een pak zojuist uitgesorteerde zeekaarten, die allemaal nog steeds braaf op me wachten om door te gaan waar we mee bezig waren voordat ik plotseling door het zware weer hard aan de slag moest met reven en het ontwijken van golven.

Zo varen we een dag met steeds zwaarder wordende omstandigheden, die ik voornamelijk doorbreng met hozen, hozen en nog eens hozen. Opeens slaat de boot dusdanig hard opzij dat ik van hooshouding opeens op mijn hoofd op de langsbank sta, en mijn rug tegen de kastjes en raampjes daarboven slaat. Met het overeind komen van de boot vallen mijn benen weer terug over mijn hoofd in hoospositie, en hoos ik hoofdschuddend maar weer verder. Wat zei ik vorige week tijdens de veertig knopen in die bui onderweg van Peniche naar Sines ook al weer? Dat ik wel meer van deze omstandigheden kan hebben? Ik moet mijn grote mond ook dichthouden... Ik ben wel enorm gelukkig met mijn windvaan, die braaf doet wat hij moet doen. En mijn werkende AIS is een geschenk uit de hemel die zorgt dat ik vlekkeloos de shipping lane door kom. Een radar is met deze golven zinloos. En bij het houden van een goede uitkijk valt er niet veel meer te zien dan af en toe op een golftop een cirkel van een paar honderd meter rond de boot. Niet dat het houden van een continue uitkijk een optie voor mij zou zijn; ik ben beneden aan het hozen.

Ook bij Simon aan boord is het één grote natte puinhoop. Zijn normaal gesproken af en toe druppelende ramen en de bouten van handlijsten en garagedak hebben het opgegeven, en regenen nu zeewater naar beneden. Net als bij mij slaan ook bij hem golven de kuip in. Ze slaan recht tegen, maar vooral ook dóór onze kajuitschotten zo de kajuit in. De waterkering van Simon’s koekoek (vlinderdak bovenop de kajuit) blijkt prima te werken tegen regenwater, maar níét tegen nijdige golven. De horizontaal hangende gordijntjes hangen door van een poeltje zeewater wat  zich in een straal door de stof heen worstelt en zijn langsbank annex bed doorweekt. Over de marifoon vertelt Simon me dat het net is alsof er iemand met een grote grijns enorme putsen zeewater zo de kajuit in aan het gooien is. Gelukkig doet zijn (electrische) bilgepomp het wel, dus kan hij zich bezighouden met het stelpen van lekken en redden van matrassen in plaats van met hozen. Maar ook hij is er wel redelijk klaar mee. Waar komt dit weer in vredesnaam vandaan, het zou hartstikke rustig moeten zijn?!

Als we nieuwe weerkaartjes binnenhalen via de SSB zien we dat de 30-50 knopen wind die we op ons dak krijgen uit een front moet komen, dat zich uitstrekt vanuit het lage drukgebied dat zich bij Madeira bevindt. Het front trekt naar de Portugese kust, en zou dus over ons heen moeten trekken en verdwijnen. Maar... de voorspelling voor morgen zegt dat het front zich weer terug gaat trekken de oceaan op, en dus gewoon BOVEN ons blijft hangen. Het liefst zouden we zuidoost gaan varen, naar de Algarve, maar dat is precies waar de wind vandaan komt en dus onmogelijk. Zullen we dan halve tot ruime wind naar het westen, naar Madeira? Maar daar hangt dat Laag. Als één van z’n fronten al zo’n drama is, dan is het laatste wat ik wil in de buurt van z’n kern komen. De boot vaart alleen ok met halve en ruime wind. Dus we kunnen alleen maar naar het westen en dat Laag. Of... noordoost. Ik teken de enige haalbare koers uit op m’n drijfnatte kaart, en kreun als ik zie waar de lijn exact halt houdt; Sines.

Na heel lang discussieren over de marifoon terwijl we ondertussen met zes tot zeven knopen van Portugal weg denderen, besluiten we uiteindelijk dat er maar één wijze keuze is: omkeren. Verslagen gijp ik de boot en maak me klaar voor een stormachtige nacht, 80 mijl, wederom in de shippinglane en daarna tussen de vissers. Ik neem nog meer zeil weg, en vind eindelijk een koers die redelijk houdbaar en enigszins droog is. Af en toe nog maar hoos ik een emmertje zeewater van de vloer, en het lukt me met dank aan de AIS zelfs om af en toe tien minuutjes in zeiknatte kleren en op een zoute bank te slapen.

De storm voorbij
De beschutting van de naderende kust maakt de golven beter berijdbaar, en een mijl of 20 van Sines vandaan begint de wind eindelijk wat af te nemen. Tijd om de schade op te nemen. De gekopiëerde zeekaarten zijn vieze natte plakaten. M’n nog geen half jaar oude netbook is dood. De I-pod gaat in het stopcontact wel aan, maar luistert naar geen enkel commando van de knopjes meer. De bilgepomp heeft scheuren in het membraan die niet te repareren zijn. De zeilen zijn volledig in orde, maar als ik omhoog kijk langs de mast schrik ik me dood. Hij staat krom?! Halverwege de mast, bij de zalingen, is de mast naar achteren getrokken, terwijl de top naar voren wijst. Net een banaan. Hoe kan dat? De achterstag stond redelijk aangedraaid, maar kon ik doordat de spanner al volledig aangedraaid was niet meer die laatste paar slagen geven die ik eigenlijk had willen geven. Zal ik teveel genoa hebben gevoerd, waardoor de top door een losse achterstag naar voren maar ook naar beneden kon worden getrokken? En zal daardoor het midden van de mast naar achteren zijn “geplopt”, zoals gebeurt als je een plastic koffieroerstaafje tussen duim en wijsvinger in de lengte probeert in te knijpen?

Ik ben te moe om er allemaal helder over na te denken, en concentreer me voor het moment dus maar even alleen op het binnenlopen van Sines. Nog 10 mijl te gaan, en de wind gaat steeds meer liggen. Hij begint ook te draaien, naar wind tegen. Het lukt me niet meer om exact naar de haveningang te sturen. Als ik een mijl of drie boven de ingang uitgekomen ben besluit ik de motor aan te zetten in plaats van nog een paar keer op en neer te steken tegen de wind in. Ik ben er klaar mee.  De motor stampt zoals altijd z’n vertrouwde geluid. Ik kantel de schroef in z’n vooruit en stuur op de haveningang af. Er gebeurt echter niets. Helemaal niets. Geen voorwaartse snelheid. De achteruit? Die doet iets, al is het niet veel. Ik krijg een deja-vu met de oversteek naar Frankrijk, en heb zin om ellendig in de kuip neer te vallen. Maar ik verman mezelf en hijs de zojuist opgedoekte zeilen maar weer omhoog om te beginnen aan een paar uur kruizen tegen de wind. Ondertussen roep ik Simon op – die al in de marina ligt - en vraag of hij me het laatste stukje zou willen assisteren de marina in. Geen probleem. Dan valt de wind weg en dobber ik met een halve knoop de verkeerde kant op. Uit frustratie besluit ik de motor maar weer aan te zetten voor een volgende poging. De achteruit werkt niet meer, maar af en toe krijg ik wat voorwaartse snelheid, om na een paar minuten weer weg te vallen. Dan opeens geeft de motor een paar rare tikken, sputtert wat, en dooft langzaam uit. Om niet meer aan te gaan.

Hopeloos
Dit keer plof ik wél verslagen neer in m’n kuip neer. Ik weet het allemaal niet meer. Gaat “M.” gelijk krijgen, en is dan misschien niet Baiona maar wel Sines mijn eindstation? Dat mag niet, echt niet. Dit is hetgene wat ik op dit moment wil doen met mijn leven, en niets anders. Ondanks alle tegenslag maakt dit me gelukkig. Op moeten geven zou m’n leven een tijdelijke ongelukkige hel maken. Maar hoe ga ik in vredesnaam een defecte koppeling, een dode motor en een kromme mast fixen in winters Portugal waar niets te verkrijgen is? Als ik het echt allemaal niet meer weet en zin heb om een potje te huilen zwemmen er een aantal dolfijnen langs de boot die wat kunstjes vertonen. Er verschijnt weer een lachje om mijn lippen.

Simon is even later weer eens mijn reddende engel, en komt me twee a drie mijl buiten de haven oppikken. Zijn vreselijk trouwe Sabb pruttelt ons samen de marina van Sines binnen. De restantjes landvast komen weer tevoorschijn, en de aardige man van de marina office verwelkomt ons met een veelbetekenende blik. En dan: niet denken. Slapen.

De volgende ochtend, of misschien is het al middag als ik wakker word, is mijn wereld nog steeds niet zo heel erg mooi. Ik probeer me voor te stellen hoe het zal zijn als Simon het wachten eindelijk beu is en er vandoor zeilt, mij achterlatend met m’n boot vol gebreken in winters Portugal. Hopeloos zoekend naar onderdelen of een expert voor mijn Sabb, of naar een nieuwe mast. Later die dag verdwijnt langzaamaan mijn ochtendhumeur een beetje. Simon verzekert me dat hij nog steeds niet van plan is er vandoor te zeilen. Ongelooflijk. Ik krijg weer wat frisse moed, en spreek met mezelf af dat als ik mijn motor niet na wat sleutelen aan de praat krijg, ik óf een Sabb expert ga vinden, of als dat niet lukt ik zélf wel die expert ga worden. Ik krijg het allemaal vast wel weer voor elkaar. Het is tot nu toe nog steeds altijd gelukt...

Aan de slag
Vol goede moed duik ik m’n motorruim in en begin te sleutelen. Eerst die motor aan de praat krijgen, dan kijken wat er mis is met de koppeling. Het allereerste wat ik verzin om te checken aan de motor blijkt inderdaad het probleem te zijn; ik heb mijn motor puur zeewater te drinken gegeven. Dat vond ‘ie niet zo lekker. Ik had al zo’n voorgevoel. In de vuldop van mijn dieseldagtank zit een miniem klein ontluchtingsgaatje met rubberflapje tegen inwateren. Maar dat rubberflapje doet z’n werk blijkbaar niet,  met al die bakken zeewater die op die vuldop hebben gestaan is er een half litertje zeewater naar binnen gedruppeld en opgeslurpt door mijn motor. Ik drain het zeewater uit de tank en uit de leidingen, verwissel het dieselfilter, ontlucht de boel zodat de leidingen weer vol kunnen lopen en met hulp van de startslinger (de motor is zonder electra aan te zwengelen) probeer ik de laatste lucht- en zeewatergaatjes te verjagen met verse, schone diesel. En dan vol spanning proberen te starten. Damn, de startmotor doet z’n best, maar krijgt de boel niet aan de praat. Op hoop van zegen dat ik de startaccu niet leegtrek (die wordt normaal gesproken geladen door de motor... ) blijf ik het steeds proberen. En na een paar minuten begint hij weer te lopen!
Oef, uitdaging één mag van de lijst...

Dan de koppeling. Ik neem het Sabb handboek, dat is geschreven alsof het voor monteurs in een werkplaats is bedoeld zo uitgebreid, en begin mij te verdiepen in de wondere wereld van de koppeling. Het koppelingshuis gaat open, en na een middag zoeken en sleutelen heb ik ook daar het euvel te pakken. Ik spuit gelijk een bak met vet in alle smeernippels die er te vinden zijn, en na opnieuw starten van de motor loopt die weer als een zonnetje en stuurt de schroefas en schroef perfect aan. Beter dan ooit als je ’t mij vraagt.
En dat was uitdaging twee.

Inboedel drogen in Sines Marina

Ondertussen draait de wasmachine op volle toeren en is er na een dag regen gelukkig een mooie dag om de boel te drogen – de droger van de marina is stuk. Na nog een dagje klussen aan het systeem om mijn kuipvloerluik waterdicht te vergrendelen (wat ik gelukkig niet zo lang voor het zware weer had gemaakt, maar wat ik tijdens het klussen aan de motor zelf per ongeluk weer heb gesloopt) is mijn boot weer in een staat waarmee ik kan varen. Nog niet naar de Canarische Eilanden, maar wel snel weg uit Sines. Zelfs de restantjes landvast breken in tweeën. Lekker hoor, voorover hangend op mijn buik in de kuip met m’n hoofd tussen de koppeling op een stijgerende boot.

De keuze voor een volgende haven valt op Sesimbra, een stukje onder Lissabon maar noordelijker dan Sines. Slechts dertig mijl varen, in tegenstelling tot de honderd mijl naar de Algarve. En een haven waar  gratis en voor niets mag worden geankerd. Daar is onze scheepskas hard aan toe.

Tot slot
Hoe het me hier verder vergaat met mast, verstaging en de poging de boot wat meer waterdicht te maken schrijf ik een volgende keer over, dit bericht begint buiten proportioneel groot te worden. In ieder geval heb ik het naast het vele klussen prima naar mijn zin in dit leuke touristenstadje voor de Portugezen. En Lissabon – een mooie stad - is slechts een uur met bus en ferry hier vandaan.

Vanavond en morgen heb ik een verplichte vakantiedag van het klussen. Kerst vieren bij Simon aan boord. Een slinger kerstverlichting is vrolijk de boordaccu aan het leegtrekken, en her en der glinsteren kitsche kerstslingers in het licht van de olielamp. Gezellig!

Ik wens jullie allemaal een hele fijne kerst toe. Dat hij wit zal zijn vindt misschien niet iedereen nog even leuk na zo’n lange tijd geglibber door de sneeuw, maar geniet er toch maar wel een beetje van, ook van het (hopelijk) samenzijn met familie. Hier hebben we knus getik van de regen op de opbouw, maar is mijn familie nergens te bekennen. Ik begin ze te missen.