Eens moet het tij keren, zou je denken. Maar door alle pech en onhandigheden van het afgelopen half jaar ben ik er niet zo zeker van dat de kentering nú is aangekomen. Door maanden van wíllen maar niet kúnnen oversteken ben ik lichtelijk zenuwachtig voor de oversteek. Gaat het dit keer wel lukken?


Ik besluit het nare voorgevoel af te schuiven op onwennigheid; ik heb al twee en een halve maand niet meer gezeild, en al veel langer geen lange tochten meer gedaan. En nu sta ik opeens voor een oversteek van toch zo’n 700 mijl. Maar aangezien ik Biskaje (een soort van) heelhuids overgekomen ben, zou dit ook geen probleem moeten zijn. Dus dinsdagochtend 15 maart togen de North Wind en de Colombe achter elkaar aan door de ongemarkeerde vaargeul van de Ria van Alvor. Als je hier niet bekend bent, is in- en uitvaren een drama. Ik heb meerdere mensen horen zeggen dat ze er nooit van hun leven meer heen ga, na de hartkloppingen die ze er mee hebben gemaakt. De meneer van onderstaand schip heb ik het niet letterlijk horen verkondigen, maar ik gok dat hij aanhanger zoniet woordvoerder van de “vermijd-Alvor-club” is geworden.

Gestrande boot Alvor

Bijna twaalf uur lang heeft hij daar op zijn zij gelegen op een nét niet zichtbare zandbank, en pas vroeg in de ochtend was het water hoog genoeg om los te komen. Z’n Alvor-plannen heeft hij blijkbaar op de zandbank laten liggen, want ik heb hem er niet meer gezien. Ook voor mij en Simon was het binnenvaren een crime toen we hier voor het eerst kwamen. We hebben er bijna een hele dag over gedaan. Meter voor meter aftastend, waarbij we meerdere keren zijn vastgelopen. Gelukkig hadden we het binnenvaren zo getimed dat het water opkomend was... Het is sneu, maar stiekem ook wel handig, zo’n ongelukkig voorbeeld van een ander. Ook Chris heeft zijn Contessa 32 per ongeluk op een verderop gelegen zandbank gelegd die zelfs volledig droog viel, en de boot is er geheel ongeschonden doorheen gekomen. Dat is een geruststellend gevoel.

Als je eenmaal de weg kent is die geul van 1,6 mijl bijna een eitje, en even later motoren we buiten op zee langs het langgerekte strand Alvor Praia en de schattige zandbaaitjes tussen de voor de Algarve typerende roodbruine, geërodeerde rotsen van Praia do Vau. Op naar Portimao Marina, voor water, diesel, gas en wasmachines. Morgenochtend vertrekken we naar de Canarische Eilanden!

De volgende ochtend vertrekken we uiteraard helemaal niet. Zoals altijd hebben we (lees: met name ene Shelley) natuurlijk twee keer zo lang nodig voor alle voorbereidingen dan gepland. Ik heb anderhalve maand was opgespaard die uit principe natuurlijk niet de droger in mag, maar aan dek aan de geimproviseerde waslijn moet. Binnen moet alles definitief zeevast en vooral waterdicht ingepakt en de dinghy aan dek gestouwd. Helaas doet een verblijf van 2,5 maanden op de Ria van Alvor niet bepaald goed voor de bodem van een bijboot, en heb ik een hele middag staan poetsen en schrobben op een ranzige laag drab, smurrie, zeegras en hier en daar een zeepok. Yugh. De romp van de North Wind heb ik eerder deze week al van dezelfde smurrie ontdaan. Aan het einde van de middag zijn we (lees; ben ook ik) er eindelijk helemaal klaar voor. Let’s go!

Het is allemaal weer even wennen, vooral omdat er bij vertrek een pittige windje en nare golfjes staan. Op handen en knieën door het krappe gangboord naar voren naar de mast. Het grootzeil hijsen op een boot die alle kanten op stuitert, overal uiteindes van vallen en reeflijnen (en ik maar denken dat vier reefmogelijkheden  in het grootzeil “handig” zou zijn), toch net niet helemaal pas gemaakte touwtjes van de lazyjacks; het is een beetje een puinhoop. Onder een door de golven heen en weer zwiepende giek door kruip ik terug naar de kuip om de giek vast te zetten en de windvaan op de juiste koers in te stellen. Maar daar ben ik niet zomaar aangekomen; continue kom ik met een ruk tot stilstand omdat mijn veiligheidslijn, die vanaf mijn harnas met een haak aan een band die over dek loopt vast zit, achter van alles en nog wat blijft haken.

Maar na nog een tijdje werken staat alles, en daalt er een rust neer over de boot. Ik installeer me in de kuip bij een ondergaande zon, en kijk om mij heen. Voor me een oneindige horizon, achter me de laatste zonnestralen die op het goudkleurige zand en de roodbruine rotsen van Portimao weerkaatsen. Als de zon eenmaal onder is zijn slechts de lichtjes van de torenhoge hotels en appartementencomplexen die de kustlijn van Portimao domineren nog zichtbaar. Met halve wind uit het noordwesten en een heel mooi tempo varen we de nacht in. Het blijft wel een “bumpy ride”, er valt geen enkel patroon te ontdekken in de korte, steile golfjes. Ik voel me er weinig lekker bij, wat zich uit in een nachtelijke sprint van de langsbank naar de kuip waar ik nog net op tijd met mijn hoofd onder de railing door kan duiken. Getver.

Colombe met halfwinder

De gerepareerde mast en nieuwe verstaging lijken zich voorbeeldig te gedragen, en in no time komt mijn vertrouwen in de boot terug. Na een paar tripjes naar het voordek en de mast vind ik ook mijn routine in zeilhandelingen zoals het reven en ontreven van het grootzeil weer terug. Gedurende de eerste paar dagen van de oversteek staat er continue een knoop of 20 aan wind die langzaam vanuit het noordwesten via het noorden naar het oosten draait. Perfect! De boot gedraagt zich het beste in ruime en voordewindse koersen. Ze ligt dan lekkerder op de golven en gaat als een (voor haar doen dan) speer. Ook binnen in de kajuit is het op voordewindse koersen stukken beter uit te houden dan bij een aandewindse koers. Wel gerol, maar weinig gestamp en minder water over dek waardoor het binnen droog blijft. Binnen een paar dagen zijn we al over de helft. Vrolijk hou ik iedere zes uur mijn positie bij op de zeekaart, en constateer dat we gemiddeld zo’n 120 mijl per etmaal afleggen. Weerkaartjes haal ik iedere dag trouw binnen op de laptop via de SSB-radio. Een klein Laag ligt bij de Canarische Eilanden, en zou het ons binnenkort een beetje moeilijk kunnen gaan maken. Maar voorlopig gaat het prima zo!

Gribfiles binnenhalen via SSB-radio

Bijna dagelijks wordt mijn dag of nacht verblijd met de aanwezigheid van dolfijnen. Het is zó’n opkikker om die gekke beestjes rond de boot te hebben zwemmen en mooie sprongen te zien maken. Soms komen ze een paar minuutjes langs, en andere keren blijven ze urenlang met de boot meezwemmen. Dusdanig lang dat ik op een gegeven moment zelfs m’n plekje op het voordek verruil voor de comfortabele langsbank binnen in de boot. Dat had ik een paar maanden geleden echt niet kunnen verzinnen.

Het is grappig te merken dat het iedere dag ietsje warmer wordt. Het warme zuiden komt eindelijk dichterbij! Toch is een warm vest nog wel nodig, met uitzondering van één heerlijk zonnige dag die ik bakkend in de zon in de kuip doorbreng. Met een heleboel “zeebeesten” om naar uit te kijken. Diverse dolfijnen springen voorbij, en de zee zit vol met zeilende kwallen. Paars-rozige opgeblazen ballonnetje met een knalroze kam op hun kop die al slalommend over het water zeilen. Helaas komen ze steeds te snel voorbij zetten om ze op de camera vast te leggen. Tijdens het zonnebaden zie ik in mijn ooghoek een stuk geelbruinig plastic langs de boot drijven. Even later komt net zoiets langs. Ik mopper op mede-oceaan-gebruikers over de zooi die ze achterlaten, totdat ik opmerk dat het stuk plastic verdacht veel weg heeft van een schild met vier poten en een kop. Een dobberende zeeschildpad!

Ook Simon zit goed op de uitkijk om zoveel mogelijk zeebeesten te zien. De eerste dag zwom er een groepje dolfijnen met hem mee, maar sindsdien lijkt de zee vanaf de Colombe - op af en toe een zeilende kwal na - zo dood als een pier. Dat ik, op doorgaans maximaal een halve tot hele mijl afstand, meestal wel een zee vol leven om mij heen heb is natuurlijk best een beetje frustrerend. Gelukkig zijn er drie beestjes die met alle liefde zijn gebrek aan wildlife goed willen maken.

Simons kroost

De hele middag en nacht fungeert Simon als een soort moederkloek die z’n baby’s moet beschermen tegen afgehakte poten en koppen wegens langskomende schootkarren, bewegende windvanen en andere gevaarlijke situaties aan boord. De hele middag en nacht blijven ze hem in de weg zitten in de kuip en moet hij ze steeds oppakken en overplaatsen naar een nieuw plekje om verder te slapen.

Ondertussen heb ik ook een hele middag een duif aan boord, alhoewel mijn duif behoorlijk wat vermoeider en uitgeput lijkt dan de vette beesten die Simon gezelschap houden. Hij landt op een reeflijn die onder de giek hangt en brengt de middag wild schommelend door. Totdat hij er genoeg van heeft dat ik er steeds langs moet en weg vliegt. Ik hoop dat hij een nieuw schip vindt om op uit te rusten, want ik vrees dat het anders niet goed met hem af zal lopen.

Slingerende duif door het gangboord  Duif aan boord

Mijn duif wordt vrijwel direct afgelost door een volgend vliegend diertje. Een heerlijk dapper beestje dat de hele boot rond hopt. Arie de Gran Canarie en ik worden vriendjes. Je verwacht toch eigenlijk ook geen ander diersoort als je op weg bent naar de CANARISCHE Eilanden?

Arie de Gran Canarie

Bij nader inzien blijkt onze vriendschap helaas toch voornamelijk van één kant te komen. Ook Arie houdt het op een gegeven moment voor gezien met al dat geschommel en mijn gestamp om hem heen als ik de zeilen bij moet stellen, en vliegt er vandoor. Nog geen kwartier later arriveert zijn soortgenoot, maar dan een  bruine, vermoedelijk vrouwelijke variant. Ze blijft de hele nacht bij me, en getuigt wél een echt vriendinnetje te zijn. Nadat ze de hele kuip en mijn laarzen en zeilbroek heeft afgehupst nestelt ze zichzelf als een bolletje wol in een hoekje van de kuip en gaat lekker slapen.
Ook ik ga naar bed; de wind is ineens weggevallen en er valt geen vooruitgang meer te krijgen in de boot. Als het bijna licht moet gaan worden komt eindelijk de wind terug, en best wel flink ook. In het donker ga ik naar voren om mijn grootzeil te hijsen. Halverwege het hijsen dendert er opeens iets fladderend uit het grootzeil en tuimelt zo over me heen naar beneden. Ik doe van schrik een stap naar achter, en het scheelt nog geen haar of ik vertrap iets in het gangboord dat daar niet hoort... Twee duiven! Hele dikke vette dit keer... De rest van de nacht blijven ze net als bij Simon lekker in de weg zitten en doen ze alsof ze mijn boot gekaapt hebben. Hun aanwezigheid markeren ze nog eens extra door overal groenbruine smurrie achter laten... Ze krijgen het zelfs voor elkaar mijn slapende vriendinnetje in de kuip weg te jagen. Arm beestje. Ik duim dat ze het veilig de oceaan over redt.

De volgende dagen van de trip gaan heel veel langzamer dan de eerste dagen. Een paar uur wind wordt steeds afgewisseld met een nacht of ochtend windstilte. Dan is het wachten, wachten, wachten. Een paar dagen achter elkaar leggen we slechts zo’n 30 mijl per etmaal af. De wind komt steeds uit een andere richting en is vaak heel licht. Soms komen we maar met een knoop of 2 tot 3 vooruit, en is het een heleboel gerol en geklapper van de zeilen. De boten zijn net twee waggelende ganzen die achter elkaar aan hobbelen.

Waggel waggel

Door al het gewiebel besluiten de lijntjes boven in Simons mast te gaan macrameeën, met tot gevolg dat zijn grootzeil niet meer omhoog kan. Terwijl we op een moment dat er even wind staat met een kleine 5 knopen richting het zuiden varen – ik met genua en grootzeil, Simon met genua en een over dek vliegend grootzeil – deelt hij me even doodleuk mee over de marifoon dat hij de mast in gaat. Je gaat wát? Maar hij staat al klaar onderaan de mast met zijn harnas aan en z’n prusiktouwtjes in de aanslag. Langs een strakgespannen val (touw) klimt hij met behulp van twee om de val heen geknoopte prusikknopen langs de mast naar boven. Één prusikknoop bevestigt hij aan zijn harnas, en de andere knoop, voorzien van twee extra lussen, dient als voetensteun. Als er neerwaartse kracht op de prusikknoop komt knelt deze strak om de val en kan het een lichaam dragen, maar als de spanning eraf gaat is het mogelijk de knoop over de val te schuiven. Door hangen in het harnas aan de bovenste prusikknoop af te wisselen met staan in de voetlussen, en om en om de prusikknopen langs de val naar boven te schuiven, klimt Simon zonder veel krachtinspanningen naar boven. Naar beneden blijkt echter behoorlijk wat lastiger te gaan omdat z’n prusiktouwtjes wat stroef en versleten zijn geworden en niet meer willen schuiven. Ik begin al hele scenario’s uit te denken hoe ik hem in vredesnaam in mijn eentje vanaf mijn zeilende boot uit zijn bewegende mast moet gaan redden, terwijl zijn boot gewoon door blijft zeilen op de windvaanstuurinrichting. Een westernfilm vol galopperende cowboys en indianen is niets bij de scenario’s die in me op komen. Gelukkig blijft het bij dagdromen, na een behoorlijk tijdje touwtrekken staat Simon uiteindelijk weer met beide benen veilig aan dek.

Simons oma heeft hem vlak voor zijn vertrek eens gevraagd hoe hij zich moet gaan vermaken aan boord en hoe hij dat nou moest doen met zijn televisie; kan die wel mee dan?? Nou oma; ik kan u vertellen dat Simon zich prima vermaakt zonder televisie. Ik ook. Ik kan zelfs vanuit de kuip naar mijn favoriete real life actieserie kijken!

Mastklimmen onder zeil

Pas de laatste dag komt de wind definitief terug. Uit het westen dit keer, wat betekent dat ik om naar het zuidzuidwesten te komen aan de wind moet zeilen. Wat zoals altijd kiezen op elkaar betekent; de boot gaat direct 25 graden scheef liggen, begint te stampen op de golven en grote plassen water vliegen over dek en de kuip. Een deel daarvan weet naar binnen te kruipen door lekken die ik niet heb weten te verhelpen. Het gaat in ieder geval wel lekker hard met een snelheid van tegen de zes knopen, dus ik besluit niet te klagen en gewoon te genieten van de mijlen die ik in no-time weg zie tikken op mijn gps. Gelukkig heb ik vorige maand van mijn ouders een e-reader gekregen en van Maria, een lezeres van de website, een CD vol met e-books. Als ik eenmaal in een stapel kussens op de bank aan de lage zijde lig vermaak ik mij dus prima met de Millenium-trilogie van Stieg Larsson. Jammer dat ik mezelf steeds tegen alle zwaarte- en G-krachten in omhoog moet hijsen voor een checkronde.

Vanaf woensdag 23 maart in de loop van de middag is er opeens een kameel aan de horizon te zien. Of nou ja, twee bergen die vanaf hier verdacht veel weg hebben van de bulten van een kameel (of is het een dromedaris?); Gran Canaria! Ze komen in razend tempo dichterbij, en aan het einde van de middag kunnen we beginnen aan de aanloop van de drukke industriehaven.

Gran Canaria in zicht

Dat is nog best even plannen en turen, want overal varen en liggen vrachtschepen en high speed ferries. Maar in de schemer weten we ons naar binnen te wringen, en als het net donker is valt ons anker voor een zandstrand midden in de stad. Nog even bijboot oppompen, proosten met een biertje, en dan als een blok in slaap vallen, om de eerstkomende dertien uur te dromen over exotische zeebeesten en de verre oorden die nu snel gaan komen...