Het is zover. Vandaag gaan we de oversteek naar de Caribbean wagen, de overkant van de Atlantische Oceaan. Het plan is om naar St. Vincent te zeilen, en vandaaruit in een paar weken naar beneden af te zakken de orkaangordel uit, aangezien het orkaanseizoen in juni van start gaat. Bijna 3000 mijl zeilen is het. Een raar gevoel om aan de voet te staan van datgene waar ik jaren van heb geprobeerd me voor te stellen hoe het zou gaan zijn. Hoe dan ook anders dan dat ik ooit heb gedacht, denk ik. Ik ben rustig, heb er zin in en zie er een beetje tegenop tegelijkertijd. Maar ik ben niet echt bang en zenuwachtig, zoals ik had verwacht.


Ik stelde mij tijdens het voorbereiden natuurlijk voor hoe ik wekenlang volledig in mijn eentje mezelf moest bedruipen. Het dichtsbijzijnde leven vaak honderden en honderden mijlen bij me vandaan; onbereikbaar, met een marifoon die maar een mijl of 20 ver reikt. Mijn enige uitweg als het mis  zou gaan met de boot zou mijn reddingsvlot zijn. Absoluut geen fijne optie. Ik heb in mijn voorbereiding gruwelijke overlevingsverhalen gelezen over mensen die honderd dagen in hun vlot hebben overleefd door visse- en vogelogen uit te zuigen, en met een bot mes net zo lang op een schildpad in te hakken totdat z’n slagader eindelijk door was. (Sorry, als je nu net zit te eten...)

Maar nu het echt zo ver is heb ik naast mijn opblaasbare reddingsvlot nog een reddingsvlot bij me; één van 37 voet en vervaardigd uit staal. Op afroep per marifoon te bestellen, als de nood écht daar is. Op dit reddingsvlot heb ik water uit de kraan, een bord om van te eten en misschien als ik heel lief ben zelfs een chefkok die af en toe het eten voor me maakt...

Natuurlijk sta ik in een zware storm er alsnog alleen voor, dan is het ieder voor zich. Maar zolang Simon en ik bij elkaar weten te blijven en het weer doet wat het moet doen (zoals altijd van achteren met maximaal windkracht 7 blazen) dan is er een uitweg voor zowel mij als Simon als één van de boten zeer zware panne krijgt. Wat dus absoluut niet te verwachten is, op dit traject. Plus, de boten zijn in een betere staat dan ooit.

Ik voel me er klaar voor. En volgens mij doet de boot dat ook. Ze ligt momenteel heel georganiseerd en dapper te wezen op haar ligplaats in de marina van Las Palmas. Een beetje té zwaarbeladen, dat dan wel. Maar het waternivo in de tanks daalt natuurlijk vanzelf. En de netten met fruit, groenten en aardappels zullen hard slinken, net als de voorraad pasta, rijst, kant en klare pastamaaltijden en blikvoer.

Vorige week hebben we een auto gehuurd voor de grote Atlantic-boodschappen bij de Lidl. Gelijk een mooie gelegenheid om het eiland te verkennen. Gran Canaria blijkt heel wat meer te zijn dan de stad Las Palmas. Mooi!! Gek was het wel, om weer in een auto te zitten. Als je 9 km/u gewend bent met de boot is met 40km/u door de stad opeens HARD! Met 100 op de snelweg invoegen was zelfs doodeng. Maar eenmaal in de bergen kon de snelheid gelukkig weer terug, boven de derde versnelling ben ik volgens mij niet meer gekomen. Mooie kronkelweggetjes en haarspeldbochten de berg op naast diepe ravijnen. Eline, je zou er van hebben genoten ;-)

Tejeda Gran Canaria

De ankerbaai was weinig aan, tussen de vrachtschepen, boorplatforms en cruiseschepen. De stad zelf is zoals iedere andere stad rumoerig, groots en wat viezig, maar het heeft aan de andere kant van de stad dan waar wij geankerd hebben gelegen een leuke boulevard langs een aantal zandstranden.

Ankerbaai Las Palmas  Voor anker in de drukke stad

De marina van Las Palmas ligt ook aan de lelijke kant, maar de sfeer is er direct anders. Geen gekneuter met kleine bootjes die nooit de box verlaten, maar échte boten. Overal windvanen, zonnepanelen en windgeneratoren en vlaggen van bijna iedere nationaliteit die je kunt verzinnen. Veelal vrolijke, gezellige mensen die overal op de steigers bezig zijn of rondhangen en met iedereen praatjes maken. Kinderen die voorbij rennen en gillen en hun speelgoed op de steigers achterlaten, terwijl ze bij de volgende boot aankloppen om een vriendje of vriendinnetje op te halen. Een meisje dat al vloeiend Brits babbelend voorbij rent, opeens stil blijft staan en in vlekkeloos Nederlands “Hoi, hoe gaat het?” aan me vraagt. Haar moeder, die net als haar vader Nederlands is en al jaren onder weg zijn, nodigt ons direct uit op de koffie. “Maar helaas niet vanavond, want we hebben dan een verjaardag bij de buren”. Als ik hier een paar weekjes zou moeten blijven liggen zou ik mij prima vermaken!

Maar we blijven niet een paar weekjes liggen. We gaan! Beginnen aan voorlopig de langste oversteek. Als ik uitga van een gemiddelde van 100 mijl per dag zou dat zo’n vier weken zeilen betekenen. Het is echter laat in het seizoen, waardoor de passaatwind - die vrijwel het hele jaar door van pak ‘m beet oost naar west waait – dan wel op hogere breedtes te vinden is, maar waardoor hij wel een stuk minder hard waait. Momenteel komen er al regelmatig dagen van maximaal 10 knopen voor, wat erg weinig is voor enige vooruitgang als je de wind in de rug hebt. Windstilte is ook mogelijk. Ik hou dus serieus rekening met het scenario dat we er vijf a zes weken over doen. Vijf of zes weken geen land in zicht. Iedere dag geschok en gehobbel. Eten wat er nog aan boord te vinden is. Zuinig doen met water...

Normaal bij een oversteek “zit ik hem uit”. Ik zet alle normale dingen van het leven opzij, en ben alleen maar bezig om naar de volgende bestemming te komen. Kleding wassen, gezond en regelmatig koken, kortom het creëren van een routine, daar begin ik niet aan. Dat is voor in de volgende ankerbaai. Maar met vijf a zes weken voor de boeg moet ik dat toch maar eens anders aan gaan pakken. Of dat lukt, laat ik hopelijk in de loop van de maand mei ergens weten...

Tot dan!


PS: Om een idee te krijgen van waarom ik nog snel naar de overkant wil, hier een plaatje van waar we de eerste weken hopelijk rond gaan cruisen >>>

Tobago Cays - St. Vincent
(foto van www.doyleguides.com)