De oversteek van de Atlantische Oceaan samenvatten is iets waar ik mezelf maar niet zo goed toe kan zetten.  Sommigen van jullie hadden dat geloof ik al opgemerkt ;-) Die oceaan is denk ik gewoonweg te enorm. De tijd die ik er op heb doorgebracht te lang, om "zomaar even een leuk stukje over te schrijven". Het is nauwelijks te vangen in een paar pagina's tekst. Ik was begonnen aan een verhaal, maar bleef er in vastzitten. In plaats van in één keer een verhaal over 33 dagen oceaan proberen samen te stellen zal ik daarom de komende dagen hier af en toe een "stuk oceaan" plaatsen (of de komende weken, als het vermaak hier te groot en het internet te beperkt is). Niet in de vorm van een verhaal met begin en einde zoals ik meestal schrijf, maar een chronologische, grote greep van stukken tekst die ik onderweg op papier heb gezet. In mijn dagboek, in mailtjes en in brieven. Soms komt er een stukje tekst dat ik in het hier en nu heb geschreven tussendoor om de boel aan elkaar te knopen.


Voor de mensen die niet zo van ellenlange verhalen houden; je bent gewaarschuwd, lees maar beter niet verder... (maar dan zou je gezien mijn gebruikelijke lange blogberichten vast al lang geleden zijn afgehaakt) Als je daar wél van houdt en graag wilt weten hoe het voelt om midden op een oceaan te zitten, dan krijg je daar als je doorleest hoop ik enigszins een idee van.

____________________________________________________________________________________________

6 april 2011
Simon probeert in zijn kuip wakker te worden van zijn laatste ononderbroken nacht slaap als ik hem vanaf de steiger aankijk. “De wind is gedraaid naar het zuiden, tegenwind!” zeg ik hem. “Dat zal best, maar we gáán” is zijn reactie, voordat ik verder ook maar iets kan zeggen. Ok ok. Zonder (hardop) morren mijnerzijds stem ik in. Gisteren voelde ik me nog zo zeker over de Atlantische oversteek. Vandaag echter heb ik een raar gevoel in mijn buik. Ik zie er tegenop, en heb een slecht voorgevoel. Toch negeer ik die; de vier maanden die Simon op mij heeft gewacht in winters Europa lijkt me genoeg eenrichtingsverkeer geweest, daar mag nu wat mij betreft zelfs geen enkele dag meer bij. De tijd is aangebroken dat hij eindelijk de oceaan over kan en mag steken, Europa uit. En ik hobbel wel achter hem aan. Naar Simons gevoel gaat het nu allemaal pas echt beginnen. Het échte zeilen. En de onbekende, exotische oorden met hopelijk niet teveel Europeanen, bij voorkeur weinig Noord-Amerikanen en vooral mooie ontmoetingen met locals. Voor mijn gevoel begon de reis al écht toen ik na afscheid te hebben genomen van Jachthaven Naarden afduwde van Forteiland Pampus na een korte stop aldaar en koers zette naar de Oranjesluizen. Maar ook ik kijk erg uit naar de "verweg-bestemmingen" waar we ons straks zullen bevinden.

In de loop van de middag varen we achter elkaar aan de marina uit, waar we water hebben gehaald en de accu’s tot de nok toe vol hebben geladen. Op mijn AIS scherm is het net als bij aankomst één groot gekrioel van pijltjes die tankers, vrachtschepen en high-speed ferries moeten voorstellen. Ik word er weinig wijs uit, en wil zo snel mogelijk weg van die enorme haven van Las Palmas. Maar de wind staat tegen! Een windrichting waar ik een grandiose hekel aan heb, en vaak ook maar weinig mee kan met mijn boot. Een zeilboot kan nooit recht tegen de wind in zeilen. Het is echter wel mogelijk om “aan de wind” te zeilen, met een hoek van pak ‘m beet  – variërend per zeilboot en windkracht – 30 tot 60 graden aan de wind. Als de bestemming precies daar ligt waar de wind vandaan komt kun je daar naartoe komen door “op te kruizen”; zigzaggend naar je bestemming toe zeilen. Als ik in de luwte van land zeil, op redelijk vlak water, red ik het bij de juiste windsnelheid wel om met 45-50 graden aan de wind te zeilen. Maar zodra er golven tegen beginnen te staan, wat op open zee praktisch altijd het geval is, wordt opkruizen steeds minder leuk. Bij de verkeerde combinatie van golf- en windsterkte komt iedere “steek” die ik maak bijna over de vorige heen te liggen, wat resulteert in een vruchteloos, gefrustreerd baantjes trekken terwijl mijn bestemming gewoon blijft liggen waar het steeds al ligt; ver aan de horizon. 
Bij het verlaten van Las Palmas heb ik vanwege de grote oversteek de boot volgeladen met heel veel vers en ingeblikt eten en 400 liter water. 200 liter daarvan bevindt zich in de extra watertank in de uiterste punt van de boot. Door dat extra gewicht valt er dit keer aan de wind écht geen land te bezeilen met de boot, (oh nee, voorlopig is de bestemming oceaan) en zet ik de motor maar aan. Ook dat helpt niet veel bij tegenstroom en -wind. Met een topsnelheid van 2 knopen (3,8 km/u) bonkt en stampt mijn Sabb me van Las Palmas weg. Simon rolt ondertussen zijn genua uit, en speert er aan de wind vandoor. Ik ben echt wel blij met mijn lieve bootje, maar af en toe als ik de Colombe - een belachelijk snelle en ook nog eens belachelijk mooie boot - voorbij zie scheuren kan ik een steek van afgunst niet onderdrukken. Pas tegen het vallen van de avond ben ik voorbij de ankerplaats van de grote vrachtschepen en kan de motor uit. Terwijl de zon achter het laatste land wat ik de komende maand zal zien verdwijnt zet ik mijn zeilen.

Hmmm... helaas. Bij zonsopkomst worden de eerste zonnestralen vrolijk weerkaatst op de bergtoppen van Gran Canaria. Pal naast mij. Grrr. Tussen kalmtes door steekt er af en toe wat wind op en kan ik over een redelijk vlakke zee een lekker stukje zeilen. Tijdens een aandewindse steek over bakboord gaat de boot goed schuin en staat het gangboord soms onder water. Ik klim terug de kajuit in, en stap zo met mijn sok een laag nattigheid in; zeewater met daarbovenop een laag diesel dat boven de vloerplank staat. Yugh. Ik klim snel weer naar buiten om met de bilgepomp de boot droog te pompen en vervolgens binnen aan de slag te gaan met een sopje. Daarna wordt mijn missie van die dag het lek op te sporen. Altijd als de boot flink schuin gaat over bakboord komt er water binnen, maar nog steeds heb ik geen idee waar vandaan. Ik haal terwijl de boot lekker op z’n zij door blijft stampen alles overhoop, kan vele plekjes die ik verdacht van lekkage uitsluiten, om vervolgens eindelijk de dader te pakken te krijgen in de bakskist; het rompdoorvoertje van de bleedline van de motor. Waarom die bleedline erin zit was me uberhaupt altijd al een raadsel. Als ik van buitenaf een houten plug in de doorvoer hamer houdt het lekken op. Het ziet er niet uit, zo’n stop in de boot, maar het permanent waterdicht maken bewaar ik lekker voor in een volgende haven, als ik droog en schoon kan werken en niet als een stuiterbal tegen de wanden van de bakskist aan kaats.

We zitten net iets voorbij Gran Canaria als de tweede nacht zich aandient. Ik voel me verveeld, warm en lamlendig. Nog moe van de vorige nacht turen naar vrachtvaart en lampjes op de wal. We zitten 35 mijl van de stad Las Palmas vandaan. Nog zo’n 2800 mijl te gaan. Een af te leggen afstand die ik maar niet kan bevatten. Als ik me nu al verveel en moe ben, hoe moet dat dan straks?
Om niet te ver uit te lopen zeilt Simon met een extra rif in zijn grootzeil en de genua iets ingerold de nacht in. Maar omdat er niet zoveel wind staat loop ik gedurende de nacht op hem uit en lukt het me ook om iets scherper aan de wind te varen en zuidelijker uit te komen. De volgende ochtend roep ik hem dus maar op over de marifoon voor ons gebruikelijke overleg over een “terug-bij-elkaar-kom-tactiek”. Die blijkt net als de andere zeldzame keren dat ik voorop lig: gewoon doorgaan en wachten op wat extra wind, dan scheurt Simon vanzelf wel weer een keer voorbij.

Maar voorlopig komt er weinig extra wind. Uit verveling ga ik aan de slag met iets nuttigs; het maken en installeren van een neerhouder, een door blokken heen en weer lopende lijn van de giek naar de mastvoet die de giek omlaag houdt. Ik ben van Nederland naar hier gezeild zonder, maar misschien is het toch maar eens tijd om er eentje te installeren. Na wat uurtjes werk onder de giek zit ie erop en kan ik hem mooi uitproberen; er komt weer wat wind. Uit het noorden dit keer! Ik boom de genua en het grootzeil in tegenovergestelde richtingen uit en zeil eindelijk de juiste kant op, weg van het allerlaatste Canarische Eiland. Lekker!

Voor de wind op de Atlantische Oceaan

Terwijl ik wat over het water tuur komen drie dolfijnen zij aan zij haaks op de boot afgestormd. Ze liggen precies op ramkoers. “Hey, pas op! Zien jullie me niet?” roep ik ze toe. “Ik kan niet uitwijken hoor!”. Maar ze blijven stug doorzwemmen. Pas op het allerlaatste moment, als ik mijn ogen al bijna dichtgeknepen heb voor de klap van drie spitse, zachte neuzen op een harde, stompe romp draaien ze als op een (voor mij geluidloos) commando synchroon bij en beginnen mee te dartelen met de boot. Ik ga aangelijnd naar voren naar de punt om daar heerlijk te genieten van deze privéshow.

De volgende dagen blijft het uit de juiste richting waaien. En flink hard ook. De zee wordt steeds ruiger. Om de paar golven wordt de boot van schuinachter opgepakt en hard opzij gesmeten. De windvaan corrigeert dat vervolgens overenthousiast en voila; je hebt een geschommel van jewelste.
De extra ballast van alle eten en drinken merk ik goed aan de boot. De boot komt moeilijker vooruit en alles kraakt extra onder het gewicht van wat mee wordt gesleurd. Gelukkig maar dat de voorraad vanzelf minder wordt; zuinig doen met water laat ik voorlopig lekker even zitten.

10 april, 13:30uur
Ik mis papa & mama. En vraag me enigszins af wat ik hier aan het doen ben. Niet dat ik terug wil, maar ik heb ook even weinig zin in doorgaan. Het is zo definitief. Zo definitief van alles en iedereen weg. En het is nog zo’n pokke-eind. Misschien verandert mijn beleving nog wel, maar momenteel kan ik me niet voorstellen dat ik uit zal gaan kijken naar een nieuwe, toekomstige oceaanoversteek. Een week is ok. Dat is te overzien. Het is dan dagen en mijlen aftellen. Maar met zo’n 2800 mijl te gaan is het de eerste dagen en zelfs weken erg lastig aftellen.

11 april, 14:30 uur
Dag zes. Maar eigenlijk hebben we er nog niet eens 5 x 24 uur opzitten. Het voelt alsof ik al eindeloos lang op zee zit. Ik wil er zijn. Maar ik ben pas nét begonnen. Het duurt nog dágen voordat we op ons eerste waypoint, 20 graden Noord, 30 graden West zitten. Dat doen we om eerst flink naar het zuiden te komen alvorens naar het westen, naar de Caribean te draaien. Dat vergroot de kans op een stabiele passaatwind. Maar voorlopig zijn we dus nog nergens...

“Een droom waarmaken” noemen velen dit, en zo heb ik het ook wel eens genoemd denk ik, alhoewel ik altijd een beetje moeite had met de uitdrukking “droom”. Maar is dit uberhaupt wel zoiets als een droom? Vooralsnog voelt het niet als waarmaken. Slechts als uitvoeren. En merken dat het niet altijd allemaal maar zo fantastisch is. Ik ben bang. Dat er iets stuk gaat. Vooral mijn windvaan... Dat zou in de laatste week al heel vervelend zijn. Maar als dat nu zou gebeuren, is dat een ramp. Ik kom er dan uiteindelijk wel, maar het gaat eeuwig duren en de weken/dagen/uren/minuten zullen een hel zijn. Hoe groot is die kans nu helemaal? zul je denken... Nou, ondertussen weet ik: groot dus! Die Navik is gemaakt van poppenspul, en de kracht van de oceaan is overweldigend. Ik zou echt niet de eerste zijn die panne met z’n Navik krijgt midden op een oceaan.

Vanacht begon het oog van de spiboom op de mast het te begeven. Of eigenlijk de rail. Twee van de zeven bouten waar hij mee op de mast geschroefd zit zijn dol, of eigenlijk zijn de mastgaten met getapt schroefdraad dat. De rail is gebogen en krijg ik niet meer recht genoeg om de kar met het oog eroverheen te laten glijden. Uiteindelijk kreeg ik het met veel acrobatische kunsten op het voordek voor elkaar de kar met oog van bovenaf over de rail te laten glijden (terwijl ik mijn één na laatste onmisbare inbus-4-sleuteltje in het water zag plonsen). Het oog zit nu veel te hoog en steunt nog maar op de vijf resterende bouten. Dat gaat vast niet lang goed...

De angst voor brekende onderdelen begint mijn leven te overheersen. Dag in dag uit kruip ik rondjes over dek om te controleren of alles nog in orde is. De nieuwe verstaging, spanners en de mast worden aan nauwkeurige inspecties onderworpen. Elke keer dat ik zie dat de stuurlijntjes van de windvaan braaf de helmstok heen en weer sturen is dat een opluchting. Ondertussen probeer ik de tijd te verdrijven met het kijken van films op de laptop, het lezen van boeken en het doen van kleine klusjes zoals het repareren van het harnas waarmee ik mezelf aan dek aan de boot vastmaak. Eigenlijk wil ik een ander harnas dat ik meeheb uitproberen, maar die kan ik nergens vinden. Het is ook zo verdomd lastig zoeken op een volgestouwde boot dat ik na veel zweten en zwoegen maar opgeef, naald en draad tevoorschijn haal en braaf aan de slag ga met handwerken.

Vervolg 11 april
Ik ging net even buiten kijken; direct een brekende golf zo over me heen. Mijn pyamabroek die ik net schoon heb aangetrokken!! Direct maar gespoeld in zoet, met nog wat andere kleding. Hoop dat het een beetje wil drogen aan de lijn die ik in de kuip boven de kajuitingang heb gespannen, en dat de buiskap genoeg beschutting geeft tegen alle spray en toekomstige golven.

Eten gaat voor geen meter. Geen trek in, misselijk zelfs soms. In de keuken staan is niet leuk, en van wat ik ook eet krijg ik buikklachten. Bah. Op deze manier zullen mijn krachten vermoedelijk snel afnemen.

Ik heb net gezien dat de Kaapverden hier 450 mijl vandaan zijn. Bezeild. Het idee om daar naar toe te zeilen als er iets dramatisch stuk gaat is een geruststellend gevoel. De eerstkomende 700 mijl ofzo is dat nog een optie. Daarna is de Caribean in ieder geval weer wat dichterbij...


12 april 12:30 uur
En weer een dag weggetikt. Vanmiddag zes etmalen, dag zeven gaat in. Ik stond net te bibberen op mijn benen. Ik had met Simon zitten kletsen over de marifoon, en allebei sloten we af om naar het toilet te gaan. Met handen wassen zag ik door de kajuitopening opeens een enorm brugdek langsglijden. Richting Simon. Ik heb hem met DSC en over kanaal 16 letterlijk “van de pot gerukt”. Er bleek genoeg ruimte te zijn, maar dat kon ik bij mij vandaan niet zien. Simon was 15 minuten daarvoor nog een hele tijd buiten geweest, maar heeft het vrachtschip niet gezien. Bizar. Dus ook dat kan goed mis... De golven zijn gewoon te hoog. Ik ben in ieder geval ontzettend blij met mijn AIS transponder.


Van meerdere zeilers die eerder dit jaar de oversteek hebben gedaan had ik gehoord dat ze nauwelijks schepen zijn tegengekomen. Een andere solozeiler mailde zelfs geen enkele boot te hebben gezien in de drie weken die hij er over deed om naar St. Lucia te zeilen. Uiteraard gaat het bij Simon en mij allemaal weer anders dan bij de rest. We zien zeker één vrachtschip per dag, vaak meer dan één. Mijn AIS transponder blijkt zijn geld zoveel meer dan waard... Al diverse keren heb ik op open zee meegemaakt dat een vrachtschip een mijl of zes van mij vandaan begint met bijsturen, en met een bocht van één a twee mijl om mij heen stuurt. Het zou best wel eens kunnen dat het schip dat zo vlak langs kwam mij “digitaal” heeft gezien, voor me heeft uitgeweken maar daardoor wel bijna bij Simon, die geen AIS transponder heeft, binnen kwam. Ik vind het een heerlijk idee dat ik dus écht word gezien door die grote jongens, vanaf een afstand waarop het nog onmogelijk is me met het blote oog te zien. En ze geven mij, dat kleine ukkepukkige bootje dat voor d’r plezier midden op een oceaan zit, gewoon de ruimte! Officieel heeft zeilvaart ook voorrang. Maar gezien het verschil in grootte is dat natuurlijk een rare, achterhaalde regel die nog stamt uit de tijd van de zeilende vrachtvaart. Hoe dan ook stelt het mij enorm gerust, en laat het me de halve uurtjes tot drie kwartier slaap die ik mezelf gun een stuk lekkerder slapen. In combinatie met de wacht die Simon houdt vind ik dit een acceptabel risico vs. comfort verhouding. Helaas gebeurt het me wel bijna iedere nacht een keer dat ik door de wekkers (ja, meervoud!) heen slaap, en anderhalf uur later ofzo wakker word. Ik ga dan meestal maar koffie zetten en een tijdje iets anders doen, totdat ik weer fit genoeg ben om ieder half uur wakker te worden. Gek genoeg lijkt het er wel op dat die ene anderhalf uur slaap me ontzettend opkikkert, zoveel meer dan de halve uurtjes. Waarschijnlijk teer ik er een hele dag op... 

Vervolg 12 april
Langzaam word ik iets rustiger en relaxter. Nog lang niet genoeg, maar deze enige berusting is wel fijn. Ik heb vanmorgen lang met Simon erover gesproken over de marifoon. Het valt hem ook erg tegen. Terwijl hij degene was die graag grote afstanden wou zeilen... Ik heb laten vallen dat ik niet weet of ik wel de Pacific op wil, vanwege de enorme afstanden aldaar. Hij was daar niet eens verbaasd om, moest zelf alles ook nog maar eens goed overwegen. Jeetje.


Ik begin mij te beseffen dat ik binnenkort keuzes moet gaan maken. Wil ik met boot en al terugkeren naar Nederland? Moet en zal ik persé rondzeilen in de Pacific? Is Midden-Amerika bijvoorbeeld ook niet genoeg om mijn reislust te stillen? Wat/hoe gaat het verder met Simon? Zou het een optie zijn om mijn boot ergens te stallen en met Simon op de Colombe mee te zeilen? Ik geloof dat ik het zeilen stukken relaxter zou vinden met z’n tweeën. Als het dan mis gaat met de boot, heb je maar de helft van de ellende die je in je eentje voor je kiezen krijgt. Financiëel is het ook een stuk aantrekkelijker. Maar ik verlies dan op een bepaalde manier wel mijn vrijheid, datgene wat zo overheersend belangrijk voor me is in mijn leven. Én mijn boot, waar ondertussen zo ontzettend veel liefde, geld en tijd in zit. Bovendien heb ik geen idee wat er met mijn boot zou moeten gebeuren als ik eenmaal aan de overkant ben. Echt niet dat ik hem ergens wil laten liggen verpieteren. En ik zou natuurljk ook gewoonweg graag afmaken waar ik aan begonnen ben. Nou ja, meenemen als één van de vele opties maar, waar ik de komende maanden een keuze uit zal moeten maken.

Vervolg 12 april
Vanacht had ik bezoek. Een zwaluw! Maartje, heb jij me een van je vriendjes uit het fort toegestuurd om me een oppepper te komen brengen? Hij zat zomaar ineens binnen, en is slingerend op mijn groentenet gaan slapen. De komkommer is bekogeld met vogelpoep... Maar aangezien die komkommer boven mijn kooi hangt, exact boven mijn hoofd, vind ik dat allang prima...


Zwaluw aan boord

13 april 00:00 uur
Ik begin er weer wat van te snappen, waarom mensen dit doen. Het leven aan boord wordt overzichtelijker. Iedere 20-30 minuten klim ik even naar buiten voor een horizonscan. De boot wiebelt alle kanten op, maar ik heb leren anticiperen. Zonder moeite klim ik de lastige trap op, en laat de wind in mijn gezicht en haren blazen terwijl ik om me heen kijk en meebeweeg met de golven. Iedere golf die mijn kleine bootje optilt zet hem weer zoveelste deel van een mijl de juiste kant op. Als ik me maar lang genoeg mee laat voeren op de regelmaat van de golven, duizenden en duizenden golven, brengen ze me vanzelf naar mijn bestemming. Geduld, dat is het enige wat ik nodig heb.
Olav Cox, die samen met vrouw en pasgeboren dochtertje rond de wereld zeilde noemde hun boot Ritme. Rime van de Oceaan. Wat een mooie naam.

Ik laat mezelf terwijl ik me vasthoud aan de grjipbeugel van de buiskap in één vloeiende beweging naar beneden slingeren, en zoek mijn plekje op de langsbank, mijn nestje, weer op om me over te geven aan het ritme van slapen en waken. Iedere dertig minuten de wekker. Soms vaker, als ik iets op de radar heb gezien of een “voorgevoel” heb.


20:00 uur
Ha, ik ben weer blij. Vanacht begon het, en vandaag de hele dag is het gebleven. Het was zo’n échte oceaandag vandaag. De wind nam af, en de golven zijn wat uitgedoofd. Het is weer mogelijk om de horizon te zien, in plaats van alleen maar muren blauw water. De hele dag waggelden de boten met zo’n 2,5 – 4,5 knoop achter elkaar aan in lichte wind. Af en toe raakt de boot in een enorme rol met klapperende zeilen tot gevolg, maar daarna hervind hij zich weer. Steeds maar weer vanzelf de juiste kant op, ongeveer 250 graden op het kompas.

Zojuist heb ik gekookt, pitabroodjes met fallafel, zelfgemaakte knoflooksaus en koolsalade. Achterop het bankje op de spiegel opgegeten terwilj Acda en de Munnik mooie teksten zongen. Daarna koffie met een koekje en een boek toe in de kuip. Vervolgens heerlijk uitgebreid gebadderd. Ik voel me weer fris en helder.

Nu dat de wind stiller is en de golven rustiger is het buiten veel beter toeven. De oceaan blijkt toch niet zo doods als ik dacht. Af en toe zeilt er zo’n gekke kwal voorbij, en vanmiddag cirkelde er een uur lang een vreemde vogel als een idioot rond de boot. Een soort meeuw, maar dan met een smalle staart die langer is dan zijn eigen lichaam en een soort batman masker over zijn kop. Hij kon ook net zo hard vliegen...

Vreemde vogel 
Portugees Oorlogsschip

Volgens Simon bleef hij zo cirkelen omdat ik net een bad aan het nemen was, ha! Ook zwommen er urenlang twee grappige visjes met de boot mee. Felblauw met zwart en zilver gestreept. Simon kwam langsmotoren. Leuk om hem weer te zien. Hij leek wel een ontzettend ingevallen hoofd te hebben. Eten lukt ook hem niet zo goed blijkbaar...

_________________________________________________________________________________________

Dat was hem voor nu! In het volgende deel onder andere een goede suggestie voor hoe je als je "samen solo zeilt" de verveling kunt verlichten bij windstilte, maar ook hoe de oceaan gekke dingen doet met je hoofd.