Langzaam trekt een hoop geroep en geklop me uit een diepe, diepe slaap. Laat me slapen!! Maar degene die om acht uur 's ochtends iets van ons wil, vier uur na onze aankomst in de Caribbean en na 33 dagen lang maximaal anderhalf uur te hebben geslapen, is volhardend. Hij blijft kloppen en roepen. Ok ok, ik kom al. Ik krabbel overeind en steek mijn slaperige hoofd door het luik boven het bed om te kijken wat er aan de hand is. Een zonovergoten landschap vol oogverblindende kleuren straalt me tegemoet.

Ik kan nog niet helemaal bevatten wat het is wat ik allemaal zie, en verschuif mijn aandacht eerst maar eens naar het water rond de boot. Een stralende, witte lach in een donkerbruin gezicht piept door de railing. “Good morning! Call me if you need laundry, ice or diesel. Enjoy your day” Een bedrukt A5je wordt me in mijn handen geduwd, waarna het gezicht achter de romp duikt. Terwijl ik het kroeshoofd in een pruttelend open bootje volg naar zijn volgende bootslachtoffer valt mijn blik weer op het landschap waar ik zomaar ineens in terecht ben gekomen; een helderblauwe hemel, diepgroene, overwoekerde heuvels, sprankelende stranden en zachtjes wuivende palmbomen. Damn, ik ben er ECHT! Tevreden laat ik me terug op het bed zakken om direct weer in een droomloze slaap te vallen.

Gelukkig is dat mooie landschap er ook nog gewoon als ik een paar uur later uit mezelf wakker word. Of nou ja, eigenlijk is de ziekelijk hete zon die door het luik schijnt de schuldige, maar van mij mag dat vandaag. Het is tijd om onze nieuwe wereld te verkennen! Met de bijboot pruttelen we de baai door. Eerst naar de Bodyguard om kennis te maken met Ank, en om onze nachtelijke binnenloodsheld Dennis ook in het daglicht eens te ontmoeten. Daarna door naar de kant om geld te pinnen en in te klaren. En natuurlijk om die 33 dagen lang verwachte koude cola met ijs te nuttigen. Mijn hemel wat smaakt die lekker!! En... hij kost 5 EC dollar (omgerekend € 1,30) voor een halve liter in zo’n ouderwetse, glazen Coca Cola fles. Niet verkeerd.

Maar helaas, als we de supermarkt in gaan moeten we wel even slikken. Zo’n cola en een blikje bier blijkt daar zo’n beetje hetzelfde te kosten als op het terras, groente en fruit zijn redelijk verlept en duur en op wat basis levensmiddelen na is er uberhaupt weinig te krijgen. We besluiten op de markt de minst dure groente en fruit die we kunnen vinden te kopen, en de rest van het geld maar in onze zak te houden en verder te leven op het Atlantische dieet die onze voorraadkasten aan boord bieden :-s
Maar gelukkig is daar Ank. Ze nodigt ons uit voor een etentje op de Bodyguard die avond. De pasta verdwijnt zowat in de enorme berg verse groenten die op hun beurt verdrinken in de zelfgemaakte tomatensaus. Hmmm... Ook het toetje van vers fruit gaat er als een razende in. Lekker zeg!

De volgende dagen bestaan uit slapen, wassen, nog wat slapen, opruimen en rondlopen over het eiland. Bequia is zo ontzéttend erg Caribisch, fantastisch! Iedereen hangt en chillt wat in de schaduw, toetert naar elkaar of roept “Jah Man” uit het altijd open (of niet bestaande) autoraam. Uiteraard onder begeleiding van de alom vertegenwoordigde Bob Marley die overal uit de boxen knettert. Af en toe, met name als er iets teveel Carib Beer of Caribbean Rum in het spel is, ontstaat er wat commotie, maar eigenlijk wordt dat altijd direct weer gesust en leeft iedereen weer vrolijk met elkaar verder. Simon en ik komen er na een paar dagen achter dat het superstom is om onze Atlantische blikjes en zakjes op te warmen als je voor een paar euro Roti kunt eten aan een tafeltje onder een palm- of vijgenboom aan het water. Uiteraard samen met Bob Marley. Ook de Pizzahut is vertegenwoordigd, alhoewel ik betwijfel dat het een vestiging van de wereldbekende keten is. Overigens houden wij het lekker bij onze groenteroti’s. Vooral Simon raakt er direct al aan verslaafd.  

Caribische Pizzahut

Ter ere van Dennis’ verjaardag zeilen we vrijdag 13 mei met drie boten de 25 mijl naar de Tobago Cays voor een verjaardagsbarbecue. Helaas ben ik het ophouden van anderen nog niet verleerd, en kom ik door de aandewindse koers die ik met geen mogelijkheid kon halen (volgens Dennis was ik alvast op weg naar Curacao) pas om acht uur ’s avonds in het donker aankakken. Via marifoon en bijboot word ik de ankerbaai weer eens binnengeloodst. De verjaardagsbarbecue is doorgeschoven naar de volgende dag. Ik zal me er twee en een halve maand later nog steeds schuldig om voelen... Maar Dennis en Ank betamen zich echte zeilers, die snappen dat (sommige) zeilboten (en schippers) zich door omstandigheden niet altijd aan een planning kunnen houden, dus ik ben samen met Simon van harte welkom om achter een grote pan nasi aan te schuiven.

De volgende ochtend word ik wederom verrast door een spectaculair uitzicht na een nachtelijke aankomst op een nieuwe plek. De Tobago Cays hebben verdacht veel weg van het paradijs... Waarom dat is heb ik eerder al beschreven in dit blogbericht.

leguaan Tobago CaysNa een paar dagen snorkelen, relaxen, schildpadden tellen, leguanen pesten, strandbarbecueën en klimmen in palmbomen besluiten Dennis en Ank dat het tijd is om door te zeilen naar het noorden om nog iets te zien van de noordelijke Windward eilanden alvorens over te steken naar de orkaanvrije ABC-eilanden. De volgende dag besluiten ook Simon en ik dat een paradijs alleen maar een paradijs kan zijn als je er niet permanent verblijft, dus ook wij trekken verder. Naar het zuiden in ons geval, waar de kans op het treffen van een orkaan met de mijl kleiner wordt. Wel doen we het rustig aan; stapjes van een paar mijl per dag. Heerlijk na het mijlenvreten op de Atlantic! Hier kan ik wel aan wennen...

We zeilen eerst naar het hoofdeiland van het National Marine Park Tobago Cays; Mayreau. Een eilandje met een klein dorpje bovenop de berg, wat meer barretjes dan woonhuizen lijkt te bevatten. Of zullen de barren tevens woonhuizen van de bewoners zijn? We snappen er niet veel van hoe die lege barren kunnen overleven, maar beginnen even later een klein vermoeden te krijgen als we beseffen dat er in het seizoen (wat net voorbij is) regelmatig enorme cruiseschepen hun gasten komen droppen op dit eiland. Hoe duizenden cruisegasten op dat kleine eiland moeten passen snappen we alsnog weinig van, maar ik vermoed dat ze tevens met hordes en hordes tegelijk per speedbootjes op de kleinere eilandjes van de Tobago Cays worden gedropt voor een uurtje snorkelen en het kopen van T-shirts en sarongs.
We nemen in de hitte nog een koud drankje in wat waarschijnlijk de meest caribisch/rasta-achtige bar ter wereld is, en houden het dan voor gezien; op naar Union Island.

Rastabar Mayreau  In de bar

Chatham Bay, de eerste baai die we op Union Island aan doen, is onvoorstelbaar prachtig. Helaas blijkt één enkele “St. Vincentiaan” het genieten van de mooie omgeving behoorlijk te verpesten. Zodra we onze bijboot het strand op trekken sprint ene Alvin op ons af. Hij maakt een kletspraatje, en drukt ons op het hart dat als we iets willen of nodig hebben we dat via hem móéten doen. Ook als we willen wandelen of iets willen eten in één van de barbecueshacks op het strand (welke niet meer zijn dan wat tegen elkaar gehamerde platen hout). We poeieren hem vriendelijk af en besluiten onze eigen weg wel te kunnen vinden. Als we de volgende dag terugkeren naar de ankerbaai na een mooie ochtendwandeling in de heuvels komt Alvin weer naar ons toesprinten, en is zichtbaar gepikeerd dat we hem niet hebben aangesteld als wandelgids. Als hij na een hoop zielig doen begint te informeren of we gancha (wiet/hasj) aan boord hebben, wat uiteraard een grapje blijkt te zijn als we antwoorden met nee, besluiten we ons relaxuurtje op het strand door te schuiven naar de kuip van mijn boot.

Chatham Bay, Union Island

Terwijl we van het mooie uitzicht genieten vanuit mijn kuip zie ik in de verte opeens een klein snorkelpijpje langzaam en voorzichtig in de richting van Simons boot bewegen. Simon springt direct in de bijboot en vaart ongezien naar zijn boot, alwaar hij de snorkelaar zich een ongeluk laat schrikken door opeens in de kuip te zitten als deze naast de boot boven water komt. Guess who that was? Uiteraard... Alvin.

We zijn er een beetje klaar mee en besluiten direct maar ankerop te gaan en naar Ashton te zeilen, een dorpje aan de andere kant van het eiland. Met de opblaasboot varen we naar de kant, waar we de boot vastknopen aan een betonnen kade tussen vrolijk beschilderde houten bootjes met namen als “No Problem”.

Ashton, Union Island

Ook in Ashton begint de kennismaking met de lokale bevolking vervelend door een agressieve verkoper met een enorme tros bananen in zijn achterbak, maar gelukkig volgt direct daarna een reeks positieve ontmoetingen met diverse locals in een klein, verstopt rumbarretje. Met een fles belachelijk sterke rum op zak wandelen we wat door de straatjes en zeggen de mensen op straat gedag terwijl we lachen om de geiten en kippen die overal tussendoor scharrelen. 

Geiten in Ashton

De volgende dag varen we de paar mijl langs het rif naar de hoofdstad van Union Island; Clifton. Een kleurrijk stadje. Wederom zijn de ervaringen met de lokale bevolking gemixt. Diverse mensen zijn ontzettend lief en hulpvaardig, het grootste deel van de bevolking laat je gewoon lekker zijn wie je bent, maar helaas zijn er ook een aantal die je zien als een wandelende portemonnee die leeg moet. En vooral die laatste groep springt natuurlijk direct in het oog; je kunt niet om ze heen, ze vliegen al op je af als je je bijboot vastmaakt aan de steiger. Jammer is dat, maar helaas zal het er hier wel bij horen.
Waarom weten we niet, maar allebei hebben we het gevoel dat het volgende land dat op onze route ligt, Grenada, anders is hierin. We kijken al een tijdje ontzettend uit naar Grenada en verwachten er heel veel van. Daarom besluiten we in Clifton al vrij snel uit te klaren uit St. Vincent en de oversteek (van slechts enkele mijlen) naar het eiland Carriacou, Grenada te maken.

Daarover de volgende keer meer!