Onze eerste kennismaking met het land Grenada is op het eiland Carriacou. Grenada bestaat naast het moedereiland Grenada uit zustereilanden Carriacou en Petit Martinique, en daarnaast uit nog zo’n 10-20 kleine eilandjes. Omdat we ons moeten laten inklaren stoppen we als eerste in Hillsborough, een heel klein plaatsje dat qua drukte op straat aanvoelt als een bruisende wereldstad. Natuurlijk alles wel lekker basic en Caribisch, maar auto’s rijden toeterend door de straten, mensen shoppen, zitten voor een bar, lopen met hun mobiele telefoon aan hun oor over straat of hangen rond kraampjes langs de weg.

Inklaren gaat probleemloos en is met een half uurtje gebeurd. Eerst naar Customs, dan naar Immigration. Net als in St. Vincent snappen de officers er maar weinig van dat we samen binnen komen, maar twee verschillende boten in willen klaren. Dat Simon solo zeilt alas, dat zien ze blijkbaar nog wel eens vaker, maar IK? Ben JIJ, een vrouw, helemaal in je eentje vanuit Europa hier naar toe gezeild? Als ik bevestigend antwoord volgt er een hoop hoofdgeschud en geklak met de tong. Gelukkig ben ik wel zeer welkom om als ik wil de komende drie maanden te genieten van hun land.

Na Hillsborough volgt Tyrrel Bay op Carriacou. Hier genieten we twee weken lang van het feit dat er op Carriacou werkelijk NIETS te beleven valt. Er scharrelen wat kippen, geiten en reusachtige krabben over de wegen van de verschillende dorpjes, de mensen hangen wat rond, en that's it. Alleen op vrijdagavond, dan organiseert de kroeg/restaurant Lambi Queen altijd een steelpan avond, en gaat een grote groep muzikanten los op een arsenaal aan steelpans. En de eerste zaterdag hebben we een gezellig end-of-season-feestje op de Hallelujah Bar, een tot bar verbouwde motorboot. Hier maken we pijnlijk kennis met de Rum Punch, dé cocktail van de Caribbean. Mijn hemel, de eerste Rum Punch is al een behoorlijke klap, maar de tweede puncht je recht in je gezicht. Simon wist zich zelfs bijna knock-out te laten slaan door de derde...

Tyrrel Bay, Carriacou, Grenada

Noordkust Carriacou (Union Island St. Vincent in de verte)

Het is mooi om te zien hoe hier de zeilers heel goed mengen met de locals. Iedereen respecteert elkaar, en de huidskleuren van groepjes mensen die je op straat met elkaar ziet praten zijn veelal gemixt. Veel zeilers zijn jaren geleden op Carriacou aangekomen en vervolgens nooit meer vertrokken... voor een habbekrats koop je hier een stukje grond en laat je een leuk, vrijstaand huisje bouwen.

Na een bezoekje aan Saline en White Island, bounty eilandjes direct onder Carriacou, komen we nog even een nachtje terug in Tyrrel Bay voordat we verder door zeilen naar het zuiden.

White Island, Grenada

Bij het ankeren in Tyrrel Bay houdt opeens mijn motor ermee op. Als ik achter de boot kijk blijkt mijn arme, opblaasbare bijboot zo’n beetje onder water, onder de boot vast te zitten; de schroef heeft de lijn waarmee de bijboot aan de boot vastzit “opgegeten” en de bijboot onder getrokken naar zich toe. Stom! Ik weet toch dat ik die lijn kort moet maken alvorens de schroef in z’n achteruit te zetten? Voordat ik iets kan doen komen twee bijbootjes van buurboten op me afgescheurd. De bijboot van de dichtsbijzijnd geankerde boot wint, en voordat ik ook maar kan zeggen dat ik ook zelf zou kunnen duiken springt de oudere heer met snorkel op zijn hoofd al uit zijn bootje en verdwijnt onder mijn boot. Met een tevreden blik en een lijn in zijn hand verschijnt hij kort daarop weer boven water; de schroef is weer vrij. Als bedankje nodig ik hem uit bij me aan boord voor een drankje, om vervolgens te beseffen dat ik zoals altijd niets aan boord heb, laat staan iets gekoelds. Bier, frisdrank en drinkwater zijn duur hier in de Caribbean, dus Simon en ik houden het zo’n beetje bij thee (van gekookt kraanwater), ’s avonds soms een koffie met daarnaast een rummetje en af en toe trakteren we onszelf op een koud drankje op het terras.
De meneer, Anthony genaamd, blijkt zeer begripvol en Simon en ik zijn welkom bij hem aan boord voor een koud biertje. Hij had al van zijn buurboot over ons gehoord; het stel dat “samen solo” zeilt en waarvan “the girl” altijd in een jurk aan het zeilen is. Hmm... ik kijk eens omlaag en zie dat ik inderdaad een jurk draag. En besef me dat dat meestal wel het geval is, eventueel afgewisseld met een rokje...
Anthony’s mede opvarenden blijken een bont gezelschap aan mensen uit Trinidad te zijn, in diverse huidskleuren en leeftijden. Één van hen is Michael, die in de jaren tachtig als tweede Trinidadian de wereld rondgezeild is. Met z’n sarong om heeft hij wel iets weg van Gandhi. Hij kan in ieder geval mooi vertellen over zijn avonturen tijdens zijn wereldomzeiling. We worden door ze op ons hart gedrukt vooral naar Trinidad te zeilen en ze op te zoeken in de Trinidad and Tobago Sailing Association; hun land zou zeker de moeite van het bezoeken waard zijn.

De volgende ochtend gaan we tegelijkertijd met de boot uit Trinidad ankerop, en zwaaien elkaar gedag; zij gaan terug naar Trinidad, wij zetten koers naar Ronde Island, een eiland ten noorden van het hoofdeiland Grenada. Een vulkanisch eiland, en slechts een paar mijl verwijderd van de actieve onderwater vulkaan "Kick 'm Jenny". Op Ronde Island delen we twee superrelaxte dagen lang de baai met een grote groep grappige pelikanen. Jenny houdt 'm gelukkig gedeisd...

Pelikaan te water  Pelikanen in de lucht

Ronde Island, Grenada

Het rolt toch wel behoorlijk achter Ronde Island door de deining, dus we besluiten door te zeilen naar Grenada. De eerste stop is in een baai aan de noordwest kust, Little David Bay. Een dikke rij palmbomen voor een donkergroen woud, met onder de bomen diverse vrolijk gekleurde motorbootjes op een goudgeel strandje.

Little David Bay, Grenada

We hebben een beetje moeite met het vinden van een geschikt ankerplekje, aangezien overal koraalkoppen en rotsen de bodem sieren. Diverse keren moet ik mijn anker oplieren om het elders opnieuw te proberen. Goed voor de conditie moet ik zeggen! Op een hoog plekje aan de wal begint een groepje mannen enigszins agressief naar ons te roepen, fluiten en zwaaien, en blijven dat doen totdat ons anker definitief uit ligt. Op dat moment verdwijnen de mannen uit het zicht, om even later op het strand weer tevoorschijn te komen. Ze lopen op de op het strand getrokken bootjes af. Opeens hoor ik Simon over de marifoon; hij vertrouwt er niets van en wil weg. “Ze lopen met machetes te zwaaien!”. Ik zag eigenlijk nog geen problemen, maar als ik door de verrekijker tuur zie ook ik dat ze inderdaad enorme messen in hun handen hebben. Ondertussen hebben ze al een bootje te water, en besef ik me dat we nooit op tijd weg kunnen komen. Ik ga dus maar naar binnen, waar ik mijn paspoort en creditcard verstop en mijn portemonnee ontdaan van belangrijke pasjes maar expres met wat geld erin klaar leg. Ondertussen bonkt mijn hart in mijn keel en voel ik me zo ontzettend weerloos...
Slechts één bootje begint van het strand weg te roeien onze kant op. Halverwege echter stopt hij bij een ander motorbootje dat aan een mooring ligt, en rommelt daar wat aan alvorens om te keren en terug te roeien naar het strand. Pffieww.
Simon stapt in zijn bijboot en komt naar me toe varen. We bediscussieren wat we moeten doen, en besluiten uiteindelijk naar het strand te varen om kennis te maken met de mannen. Als alles ok lijkt blijven we hier een nachtje liggen. Wanneer we de bijboot door de branding heen op het strand proberen te landen komt één van de mannen op ons afgelopen. Met in zijn ene hand zijn machete helpt hij ons met zijn andere hand de boot het strand op te slepen. Hij heet ons welkom in Little David Bay en vraagt of we het leuk vinden om met hem mee te lopen naar het uitkijkpunt waar zijn vrienden zijn. Natuurlijk! Terwijl we naar een paadje tussen de struiken wandelen blijf ik angstvallig ver van zijn machete vandaan, maar begin ik me al wel lichtelijk te schamen over onze eerdere verdachtmakingen. Met dat angstaanjagende mes begint hij op het struikgewas in te hakken en takjes met bladeren te verzamelen. Als ik vraag waarom hij dat doet, legt hij uit dat hij die takken samenbindt tot een bezem, waarmee hij het pad naar zijn woning schoongeveegd houdt. Halverwege de klim naar de uitkijkpost begint het te regenen. Eenmaal boven aangekomen blijken er zo’n tien mannen te schuilen in wat ooit een mooi huis op een prachtige plek moet zijn geweest, maar wat nu nog slechts een ruïne is. Op het randje van een afgrond, waar ooit een muur van het huis heeft gestaan, turen ze over de baai, wijzen wat en lijken met elkaar over iets te discussiëren. Ik weet en hoor dat het in het Engels moet zijn, maar kan werkelijk niets zinnigs maken van het Caribische accent dat ze gebruiken.

Onze gastheer legt uit dat ze aan het vissen zijn. Vanaf hun hoge uitkijkpost monitoren ze de baai en wachten ze tot een grote school vissen hun baai in zwemt. Zodra dat gebeurt rukken ze zo snel mogelijk uit met hun bootjes en spannen een net over de hele lengte van de baai, zodat de vissen worden ingesloten en zo uit het water gescoopt kunnen worden. Arme, kansloze vissen...  maar slimme lui!
Terwijl we allemaal door de regen heen proberen te turen naar vis, leggen de mannen uit waarom ze zo aan het roepen en zwaaien waren; vanaf hun uitkijkpost konden zij precies zien waar het koraal stopt en de zandbodem begint. Ze wilden ons dus gewoonweg naar een mooi ankerplekje toe dirigeren. Wat ik eigenlijk in eerste instantie al had gedacht... ik schaam me nog iets dieper over mijn negatieve ideeën over deze heren.

Vandaag blijkt niet zo’n goede visdag te zijn, dus onze gastheer besluit terug te gaan naar zijn dorp. Hij nodigt ons uit om de mijl naar het dorp door de jungle met hem mee te lopen, en daar samen iets te drinken. Ik zou het echt heel graag doen, maar na Nederlands overleg met Simon (wat is het toch heerlijk om een wereldwijd totaal onbekende taal te spreken, maar ook het Engels machtig te zijn!) besluiten we dat het gewoonweg niet slim is de boten alleen te laten. Deze lui lijken prima te vertrouwen, maar onze boten alleen laten bij een groep mannen terwijl ze precies weten waar we uithangen en wanneer we terugkomen is niet zo verstandig. De boot en wat daarop zit is alles wat we hebben... Jammer zeg, dat we ons genoodzaakt voelen een mooie ontmoeting en tour naar een dorpje (zeg maar precies datgene waarvoor we deze reis wilden maken) uit veiligheidsredenen af te moeten slaan.  

De volgende ochtend gaan we weer ankerop en zeilen dicht onder de indrukwekkende Grenadiaanse kust naar het zuiden. We passeren prachtige baaitjes vol palmbomen, schattige dorpjes, en daarachter een onvoorstelbaar decor aan met jungle overwoekerde bergen. Wauw.

Uitzicht op Grenada

Na een klein dagje varen met maar nauwelijks wind naderen we eindelijk Grenada’s hoofdstad, St. George’s. Terwijl we het laatste stukje opkruisen naar de stad toe worden we overvallen door een ENORME bui. Vlagen van veertig knopen wind zitten erin (dat is veel!) en door de gigantische, tropische regendruppels die op het water neerslaan valt er werkelijk geen hand voor ogen te zien. Volledig blind en met ondanks het preventief reven veels te veel zeil op probeer ik de boot bij het gebied waar ik voor de bui begon geankerde boten heb gespot vandaan te krijgen. Wat mis ik nu mijn windvaan! Gelukkig ben ik de afgelopen 1500 mijl al wel wat handiger geworden met het vrijmaken van mijn handen zónder windvaan, dus krijg ik het voor elkaar de bui netjes uit te zingen en geen brokken te maken :-)

Na een kwartier is de bui op zijn einde en verschijnen terwijl ik het regenwater van me af probeer te schudden en wringen de geankerde boten en de stad langzaamaan weer in beeld. Ons anker valt, en we stappen de bijboot in om kennis te maken met onze verblijfplaats van de komende weken...