Aangezien het toch op de route naar Sint Maarten ligt, we er best wel nieuwsgierig naar zijn én een vriend van Simons zus er tegenwoordig eilandsecretaris is, hebben we over de marifoon besloten eerst maar eens een kijkje te nemen op St. Eustatius alvorens te beginnen aan het serieuse arbeidersbestaan op Sint Maarten. ’s Ochtends heel vroeg, terwijl de hogere delen van Sint Kitts en van Sint Eustatius gehuld zijn in een streeppatroon van buiengrijs met zonnegeel, vaar ik in de paar mijl wijde doorgang tussen die twee eilanden. Steeds dichter onder de kust en vulkaan van Sint Eustatius.

Halverwege de zuidwest kust ligt het plaatsje Oranjestad. 2900 inwoners, hoofdstad van Sint Eustatius, en tevens het enige plaatsje op het hele eiland. Simon en Colombe liggen nog ergens midden op zee te slapen/bijliggen ten noorden van het eiland, dus dit keer mag ik eens meemaken hoe het is om moederziel alleen op een nieuwe plek aan te komen. Ondanks dat het heel gezellig is om Simon altijd in de buurt te hebben, moet ik toch zeggen dat alleen aankomen op een nieuwe plek wel heel bijzonder aanvoelt. Voorzichtig nader ik de kust, op zoek naar een goed plekje om te ankeren. Op wat bootjes aan moorings na liggen er geen andere jachten om het juiste voorbeeld te geven, en de dieptemeter heeft om de één of andere reden besloten alleen nog maar de diepte te tonen als de motor uit staat. Dit keer heb ik alleen een beperkte digitale kaart van het gebied en niet de gebruikelijk pilot die uitgebreid uitlegt waar je veilig en comfortabel je anker kunt droppen. Voelt heel wat avontuurlijker dan wanneer meneer Chris Doyle, schrijver van Caribische pilots en daardoor wereldberoemd in de Caribische cruisers community, je haarfijn uitlegt hoe je de baai moet aanlopen, welke bar het koudste bier heeft en welke local je haar het mooiste kan knippen mocht je daar behoefte aan hebben. 

De vulkaan van St Eustatius

De tankers die een eindje uit de kust hun anker uit hebben, laat ik links liggen. Wat een joekels, sommige wel bijna 1000 voet (er gaan ruim 30cm in een voet) lang! Een paar ervan herken ik, omdat ze me de afgelopen dagen voorbij zijn gestoomd en me soms zelfs hebben laten uitwijken.

Vanaf hier leek het net alsof het volledig mis zou gaan bij Simon...

Dat Hollanders echt handelaren zijn blijkt maar weer. Pak ‘m beet anderhalve eeuw nadat Columbus de Caribbean in kaart heeft gebracht (dat deed hij rond 1500) zijn ze op Sint Eustatius beland. Het eiland is sinds die tijd 22 keer van “eigenaar” gewisseld, maar de Nederlanders hebben het het grootste deel van de tijd in handen gehad. Omdat het eiland een ruime, natuurlijk diepe haven en een ontzettend mooie strategische ligging heeft hebben ze het gebombardeerd tot belastingsvrij handelscentrum; op de drukste dagen konden er volgens eilandsecretaris Jan wel 2500 schepen met een scala aan nationaliteiten voor anker liggen die hun waardevolle goederen kwamen ophalen of juist opslaan in de lange rits pakhuizen aan de waterkant. In de huidige tijd wordt er gok ik nog net zoveel aan handelswaar naar het eiland verscheept, maar tegenwoordig gebeurt dat in het ruim van nog maar een fractie van de schepen van destijds. Die wel tientallen malen groter zijn dan de schepen van toen dus. De substantie van de goederen zal ook wat veranderd zijn. Geen exotische kruiden en specerijen meer vermoed ik, maar meer bulkproducten die ik voor het gemak maar even schaar onder de noemer “chemisch spul”.

Als Simon ook gearriveerd is en zijn bijboot opgepompt heeft (dit keer is het zijn beurt :-) ) ontvang ik hem met een grote pan curry. Volgens mij de eerste échte maaltijd voor mij sinds het vertrek uit Aves de Barlovento. Ik ben in ieder geval uitgehongerd. Na het eten storten we volledig in. De rekening van de afgelopen slapeloze nacht en de rits nachten van weinige 2-tot-20-minuten-slaapjes daarvoor wordt gepresenteerd. Toch weten we onszelf van de bank naar de bijboot te slepen om het eiland te gaan verkennen. De drang om te zien wat aan land te vinden is, is te groot. En gaan slapen maakt het oppakken van een normaal landritme alleen maar lastiger.
Van zeenivo leidt een beklinkerde kronkelweg een eind omhoog naar het dorp. Terwijl onze zeebenen steeds meer moeite krijgen om ons naar boven te sjouwen, worden onze hersenen steeds actiever; wat is het hier mooi! Eenmaal in het dorp aangekomen ben ik mijn moeheid volledig vergeten. Overal zie ik leuke plekjes, een bijzondere mix van leuke straatjes, historische gebouwen en een prachtig en in zeer goede staat gehouden fort. Met steeds weer de dominante vulkaan die overal bovenuit piept. De sfeer is echt een mengelmoes van het “donkere” Caribbean, tesamen met Europese handelsglorie van weleer. Het doet wel een beetje doods aan voor een zondag. Zullen ze hier zo gelovig zijn dat ze zich de hele dag in een donker huis verstoppen? Later vernemen we dat het inderdaad een gelovige gemeenschap betreft, maar dat feestvieren geen enkel probleem is op zondag; de Kerstman is op het eiland aangekomen! Voor alle (ALLE!) eilandkinderen zijn kadootjes en versnaperingen verzorgd tijdens een groots kerstfeest op de airport.
Tegen de schemer varen we weer terug naar de boten, om vrijwel direct ons bed in te duiken voor een 14 urige nacht slaap. Heerlijk.

Fort Oranje, St Eustatius  Oeps...

De volgende ochtend stappen we monter in hikers-outfit de bijboot weer in. We gaan de vulkaan beklimmen! Eerst slaan we nog wat proviand voor onderweg in bij één van de vijf supermarktjes die het eiland rijk is. Deze is in handen van Chinezen. Het is echt bizar waar je hen toch allemaal tegenkomt. Volgens mij is Nederland het enige land waar de Chinezen alleen bekend zijn van de afhaalchinees. In de rest van de wereld hebben ze of een groot deel van de supermarkten in handen, óf vind je overal bazaarachtige winkeltjes; prop- en propvol gestouwde winketjes vol goedkope, veelal plastic troep. Uiteraard alles “made in China” en met Chineze kassamedewerkers en vakkenvullers.
Na te hebben genoten van een lange tijd gemiste, heerlijk koude cola  beginnen we aan de klim van de “Quill”, oftewel kuil. De Nederlanders spraken jarenlang over “de kuil”, wat natuurlijk verkeerd werd uitgesproken door Engelstaligen en door de jaren heen niet meer anders bekend is dan Quill (spreek uit als Kwil). Engels is overigens de eerste taal op het eiland, Nederlands wordt eigenlijk alleen (af en toe) gebruikt binnen de overheid.
De klim van 600 meter naar de kraterrand zou normaalgesproken niet zo’n groot probleem zijn. Dit keer wel, na 2,5 week geen voet meer aan land te hebben gezet. We zijn er een beetje slap in de benen van. Het is wel een leuke tocht, met zelfs boven op de berg, midden in het woud, loslopende kippen en overal heremietkrabben; krabbetjes die zich met een flinke leenschelp als huis helemaal die berg op hebben geworsteld. Zodra ze ons horen aankomen trekken ze zich als een razende terug in hun schelp, verliezen daardoor de “grond onder hun scharen”, en tuimelen zo weer tientallen meters steil naar beneden. Om vervolgens geduldig weer aan de klim omhoog te beginnen. Wat ze hier te zoeken hebben?? Middels boomwortels en speciaal opgehangen touwen trekken we onszelf het laatste stukje naar boven, naar het hoogste plekje van het eiland, 667m. Gezien het uitzicht absoluut de moeite waard...

Uitzicht hoogste punt St. Eustatius

Op de terugweg schrikt Simon opeens op van een hoog gilletje. Die uit mijn keel ontsnapt. Er schiet een slang praktisch tussen mijn benen door. De rest van de weg naar beneden, dezelfde als die omhoog, komen we er nog zeven meer tegen.  Dikwijls op en tussen rotsen waar we op de heenweg nog hebben zitten uitrusten. Bij iedere slang gaan we ze leuker vinden, vooral omdat we hebben gelezen dat ze niet gevaarlijk zouden zijn. Slechts de duizenden mini-hagedisjes die de vulkaan als hun thuis beschouwen hebben de slangen te vrezen. 

Slang Hagedis

Eenmaal terug in het dorp besluiten we op zoek te gaan naar Eilandsecretaris Jan, die vast wel ergens in een overheidsgebouw te vinden is. Omdat we  erg bezweet zijn en ik me nogal schaam voor mijn korte broek en sandalen, bedenk ik me of ik nog even naar de boot zal gaan om me op te frissen. Maar ja, “even” zit er niet in met een afdaling naar het water en een aardig stukje dinghy-en naar de boot voor de boeg. Ambtenaren werken toch altijd maar tot een uur of 4, 5? :-p Als ik me vervolgens bedenk dat ik ook weer terug omhoog zal moeten gillen mijn zeebenen dat ze vooral boven willen blijven. Dus als échte touristen gaan we op pad, inclusief camera’s om de nek.
Op ons eilandkaartje staan de overheidsgebouwen ingetekend in het centrum van het dorp. Of nou ja, centrumpje, waar de paar winkels en bieb te vinden zijn. Het is een schattig, eeuwenoud gebouwtje. We vinden er slechts eilandbewoners nummer 2901 t/m 2904, niet Jan.

Nog een paar eilandbewoners

Een aanplakbiljet geeft aan de de eilandsecretaris en -commisioner tegenwoordig kantoor houden elders op het eiland. Dus we wandelen weer een eindje door tot we bij een soort statige villa in een strakgemaaid gezon terecht komen. Slik, moeten we daar aankloppen in deze fysieke toestand? Ik probeer m’n verwaaide haren achter me oren wrijven, verstop m’n camera achter mijn rug, en stap moedig op een dikke, glimmende auto af die net het terrein af wil rijden. Even vragen of hij weet of we goed zitten en waar we precies moeten zijn. De Nederlandse meneer, strak in pak, springt zodra hij verneemt dat we van Nederland naar hier zijn gezeild direct zijn auto uit om de weg over te steken. Vanaf daar hebben we een prachtig uitzicht op onze twee dobberende zeilbootjes tussen de tankers, en door even mee te kunnen kijken door de ogen van deze zeilfanaat besef ik me weer eventjes goed hoe mooi het allemaal is wat we aan het doen zijn...

Voor anker bij St Eustatius

Met hulp van de uitleg van de meneer-in-pak komen we bij Jan’s secretaresse en na even wachten tot zijn meeting voorbij is ook bij Jan zelf uit. Na wat bijkletsen nodigt hij ons bij hem en zijn vrouw thuis uit voor een drankje. En zo komt het dat ik opeens tussen drie Vlissingers koude biertjes zit te drinken op een prachtige “woon-veranda” (op een televisie na is de veranda net een woonkamer, inclusief koelkast voor drankjes, bankstel, etc). Terwijl diverse eilandbewoners steeds onaangekondigd aan komen waaien voor een praatje en dan weer vertrekken (normaalste zaak van de wereld hier schijnt), kijken we hoe de zon wordt opgeslokt door de zee. Ik heb al ontelbaar veel zonsondergangen boven zee gezien, maar nog niet zo vaak één vanaf een veranda, met prachtig uitzicht over een groene heuvel en een klein stadje. Ook wel eens leuk voor de verandering!

Als Jan ons na nog wat meer biertjes en een lekkere maaltijd met zijn Jeep weer terugbrengt naar de bijboot, vraag ik me af of hij geen lamme arm krijgt van het permanente gezwaai naar iedereen op straat.  Elkaar níét groeten is hier absoluut not done. Dus dát was al dat getoeter als auto’s langs ons reden vanmiddag! Ondertussen legt hij ons nog iets meer uit over de inhoud van zijn functie op het eiland.

De volgende ochtend zeilen we weer verder. Volgende eiland op het programma: Nóg een stukje Koninkrijk der Nederlanden, namelijk het eiland Saba. Vanaf St. Eustatius zagen we het eiland door de enorme berg die het is al liggen. Het is zo’n 17 mijl varen met harde, ruime wind.
Hoe dichter ik bij het eiland kom hoe meer geïmponeerd ik raak door het uitzicht voor mij. Wát een indrukwekkend mooi eiland. Het is een enorme, steile berg die majestueus uit zee oprijst. Hier en daar zie ik wat witte spikkels hoog op de bergwand wat huisjes moeten voorstellen. Mijn hoofd kan niet wachten om hier een kijkje te mogen nemen, hoe mijn zeebenen ook protesteren bij het vooruitzicht die enorme berg op te moeten.

Saba voor de boeg

Eenmaal aan de zuidzijde van het eiland zien we diverse motorbootjes en één zeilboot schommelen onder de kust. Ze blijken allemaal aan moorings te liggen. We hadden ook al begrepen dat je hier niet of maar op weinig plekken mag ankeren omdat alles onderwater een marine park is. Het tocht lekker door zo langs de bergwand, en het kost me dan ook nogal wat moeite om zonder pikhaak een mooringbal te pakken te krijgen. Mijn oude pikhaak dobbert wellicht nog steeds ergens op de Atlantische Oceaan, dus nu hengel ik wat met het oude vlaggemastje van Denise en Etienne van de La Luna die ik van de vuilnisbak heb gered als nood-pikhaak. Dat ik altijd anker en niet aan moorings lig is nogal duidelijk, want het kost me heel wat pogingen om vast te knopen. Iedere keer dat ik de mooringlijn te pakken heb en op zoek ben naar de lus om mijn lijn doorheen te halen wordt de boot door de wind gepakt, is de mooringlijn absoluut niet meer te houden en moet ik weer loslaten. Helaas heb ik niet iemand in de kuip staan die de boot op z’n plek kan houden :-s

Gelukkig bedenk ik mij na wat mislukte pogingen dat ik natuurlijk ook achteruit met de kont in de wind kan blijven hangen om zo rustig een mooring te pakken. Als ik dan eindelijk lig en net de boot opgeruimd heb word ik opgeroepen door de duikschool. Of we alsjeblieft zsm willen vertrekken, we liggen aan privé moorings en ze komen er aan met de boot. Damn... De gastenmoorings een stukje verderop blijken alle drie in gebruik. Aan de westkant van het eiland zouden er nog veel meer moeten liggen, dus er zit niets anders op om daar maar eens een kijkje te nemen. Jammer, als je net je grootzeil opgedoekt hebt en het te ver is en te hard waait om er op de motor naar toe te gaan. De zeilen moeten weer omhoog, en we moeten weer pal tegen de wind inkruisen om er te komen. Het uitzicht is prachtig, maar het is pittig zeilen. Zodra we uit de luwte van het eiland komen blijken de golven enorm stijl. Simon, die zijn bijboot alweer opgepompt had toen we net aan de mooring lagen, begint een zwaar gevecht om zijn bijboot niet te verliezen en aan dek gesjord te krijgen. Wat hij moet bezuren met een diep gat in zijn voet veroorzaakt door een uitstekende bout. Autsj. Tijdens een kruisrak naar het eiland toe zie ik waar we ongeveer moeten zijn; onderaan “De Ladder”; een enorme, stenen trap die naar de hoofdstad (beter woord: hoofdgehucht) The Bottom van het eiland leidt. 800 treden lang zou hij moeten zijn, en tot de jaren ’40 de enige manier om mensen en spullen het eiland op te krijgen, van proviand tot de Koningin tijdens een staatsbezoek. In mijn hoofd hoor ik al gejuich over de mooie klim die me te wachten staat, terwijl mijn benen direct hard beginnen te protesteren. Helaas winnen mijn benen; met het spotten van “De Ladder” spot ik ook de enorme golven die op de westkust stukslaan en omhoog spuiten. Tja, dat zat er dik in. Het eiland is bijna volledig rond, en kent niet echt rustige baaien. Het is absoluut niet raadzaam om met dit soort weer hier te liggen. En landen op de kant met de bijboot uberhaupt onmogelijk. De enige optie die we nu hebben is Saba voorbij te zeilen en door te gaan naar Sint Maarten. Omdat het alweer vijf uur is betekent dat de hele nacht doorzeilen. Van een relaxed half dagje “eilandhoppen” verandert het tochtje nu in een pittige, nachtelijke, in de windse oversteek. Door eerst naar Saba te varen hebben we alle hoogte verspeeld die we hadden om rechtstreeks naar Sint Maarten te kunnen varen bij deze wind en moet er dus weer flink gekruist worden.

Alsof het mijn teleurstelling aanvoelt duikt op dat moment iets enorms op naast de boot. Ik denk heel even dat het een walvis is (die ik verdorie nog steeds niet ben tegengekomen op deze reis!), maar realiseer me dan dat het een enorme schildpad is; een leatherback. Die zijn over het algemeen 1,2 tot 2,0 meter lang en wegen honderden kilo’s. Tegen een achtergrond van de enorme berg van Saba die boven de ruige branding uittorent is het maar een surrealistisch tafereel, en even waan ik me in de prehistorie. Mits ik mijn zonnepaneel, plastic romp en radar wegdenk natuurlijk...  Saba heeft me dusdanig geïntrigeerd dat ik alvorens door te varen naar Sint Maarten eerst met mijzelf de afspraak maak dat ik hier hoe dan ook naar terug zeil.

Het blijkt weer een ruig nachtje zeilen met zo’n 30 knopen wind en bijbehorende golven, zonder slaap  en met veel vracht- en cruiseschepen om mij heen. Door de stroming en golven moeten we heel veel meer mijlen maken dan de 30 die er zitten tussen Saba en Sint Maarten. Na een overstag meet ik soms een koerswijziging van zo’n 150 graden, wat een “winst” van maar 30 graden betekent. Op het Ijsselmeer, op een dag dat er niet al te rottige golfjes staan, zou een koerswijziging van 90 graden na een overstag heel goed mogelijk zijn. Door de zeilrakken die maar een klein stukje naast elkaar liggen nadert de kust van Sint Maarten maar tergend langzaam. Het is iedere keer goed vooruit plannen met de cruiseschepen die in de vroege ochtend regelmatig aan komen stormen richting Philipsburg. Gewonnen meters opgeven omdat er eentje op mijn pad ligt vertik ik namelijk.

Op 22 december 2011, zo rond de middag, zeil ik na een reis van een kleine drie weken (inclusief twee tussenstops) m’n laatste rak dan eindelijk uit, recht de baai van Marigot in. Het kan niet tippen aan de aankomst bij Bequia na de Atlantische oversteek, maar het laten vallen van mijn anker geeft me toch een verdomd tevreden gevoel! De mensen die roepen dat van de ABC-eilanden terugzeilen naar het westen (zonder de motor te gebruiken) niet te doen is, en ikzelf die altijd dacht dat met mijn boot praktisch niet tegen de wind/stroom in te zeilen valt, hadden mooi geen gelijk.